maandag 20 februari 2012

Noodhulp in Pibor

Inmiddels ben ik weer in Pibor Town na ons bezoek van drie weken geleden. Zo op het eerste gezicht lijkt er weinig te zijn wat zich herinnert aan de aanval van de Nuer op de Murlei begin januari dit jaar. Vrouwen lopen balancerend met gele jerrycans op hun hoofd van of naar de waterpomp en kinderen spelen met witte ballonnen die ze op school gekregen hebben. Ook kabbelt de rivier in Pibor rustig verder alsof er niets gebeurd is.


Maar al pratende vind je al snel uit dat schijn bedriegt. Je hoort verhalen over tientallen mensen die aan de rand van Pibor Town zijn neergeschoten inclusief vrouwen en kinderen en het stelen van vee, het belangrijkste levensmiddel van de pastoralisten hier, en het kidnappen van kinderen. Getuige dat dorpen rondom Pibor Town nog veel meer geleden hebben zijn de duizenden ontheemden die naar Pibor Town gevlucht zijn omdat het hier veiliger is.

Alfred Taban, ZOA Project Officer, komt net terug uit Likuangole een dorp op anderhalf uur rijden van Pibor Town en verteld van een compleet platgebrand en verwoest dorp, van duizenden mensen die in de bosjes slapen en bang zijn om weer naar het dorp terug te keren uit angst voor een nieuwe aanval door de Nuer, en verteld van verse schedels bij de rivier, dezelfde rivier die zo rustig door Pibor Town kabbelt.

ZOA is hier sinds een paar dagen bezig om hulp te verlenen aan de ontheemden in samenwerking met andere hulporganisaties. WFP voorziet in voedsel, IOM in non-food items zoals klamboes, kookgerei, plastic zeilen voor bedekking, etc. Wij richten ons op water en sanitatie: de reparatie van de waterpompen die kapot zijn gemaakt en het distribueren van purificatie tabletten die het mogelijk maken om rivier water te drinken. Ook zetten we in Pibor Town nood-latrines neer omdat er veel ontheemden en omdat iedereen zijn zaakje midden in de nederzetting achterlaat. We willen een uitbraak van besmettelijke ziektes zoals cholera voorkomen.

zondag 5 juni 2011

Welcome to the Visitor!

Happiness
Bedankt voor al jullie reacties op ‘geluk is geluk?’, die zetten mij ook weer verder aan het denken. Iemand vroeg bijvoorbeeld: “wat betekend het dan voor het werk van ZOA als geluk zo relatief is?” Met andere woorden: als mensen in Zuid-Sudan gelukkig zijn, wat kan ZOA er bijdragen als ontwikkelingsorganisatie?

Hoewel geluk relatief is (het heeft niet dezelfde betekenis in Afrika als in Nederland) denk wel ik dat er absolute dimensies aan geluk, of ongeluk te zitten. Oorlog, ziekte en honger maken maar weinig mensen gelukkig. Daarom werkt ZOA in landen zoals Zuid-Sudan om mensen te helpen om hun leven weer op te bouwen na jaren van oorlog.

Baseline Survey
In de regio waar ik werk, hebben we net onderzoek gedaan onder 443 huishoudens om vast te stellen wat de situatie is van inwoners op het gebied van gezondheid, onderwijs, voedselzekerheid, etc. Een van de vragen die gesteld werd was of, en waarom, mensen (on)gelukkig zijn met hun leven:


Zoals je hierboven kunt zien gaf meer dan 70% van de respondenten aan niet gelukkig met hun leven te zijn, met ‘gebrek aan geld’ (31%) en ‘familie problemen’ als belangrijkste redenen (25%). De mensen die aangaven wel gelukkig met hun leven te zijn vertelden dat ‘vrijheid’ (38%) en ‘familie’ (27%) daarvoor de belangrijkste redenen zijn.

Het is opvallend te zien dat ‘familie’ een grote bron van geluk en van ongeluk is. Een verklaring voor het geluk is dat familiebanden erg nauw zijn, en dat familieleden op elkaar kunnen rekenen in moeilijke tijden. Maar ongelukkige ‘familieproblemen’ worden meestal veroorzaakt door de schoonfamilie die een onredelijk hoge bruidschat eisen, en de vrouw of zelfs kinderen wegnemen als de bruidschat niet afbetaald word.

Het statistiekje geeft ook aan dat mensen blij zijn met hun vrijheid na decennia van burgeroorlog en dat ze graag wat meer geld willen hebben. Dat laatste is niet zo gek met een huishoudelijk inkomen van minder dan 13 Euro per maand, wat ook hier heel weinig is, voor 70% van de inwoners.

Vooral tijdens het droogseizoen hebben mensen geld nodig eten te kunnen kopen. Bijna alle mensen in de regio verbouwen hun eigen voedsel maar de oogst is niet genoeg om er een heel jaar van te kunnen eten. Een overweldigende 97% van de respondenten geeft namelijk aan dat ze niet genoeg eten hebben om hun huishouden te voorzien. Omdat een gemiddeld huishouden vijf kinderen heeft, hebben vooral kinderen hiervan te lijden. Het is hier bijvoorbeeld normaal dat kinderen zonder eten naar school worden gestuurd en maar een maaltijd per dag krijgen, gewoon omdat er niet meer eten is.

Wij zijn dan ook net een project begonnen om de voedselzekerheid van ongeveer 3.000 mensen in de regio te verbeteren. We stimuleren de boeren om zich te organiseren in groepen van ongeveer twintig landbouwers omdat samenwerking de opbrengst van de oogst verhoogd. Ook geven we de boeren training om hun landbouwtechnieken te verbeteren (kennis die in de oorlog verloren is gegaan) en introduceren we nieuwe zaden die meer opbrengst genereren.

William in Afrika!!!
In april kwam mijn broertje me opzoeken, en het was al snel weer ouwe jongens krentenbrood. Na een paar dagen relaxen in Kampala, de hoofdstad van Uganda, was het tijd voor actie. We besloten om een nachtbus te nemen richting Kabale, schijnbaar het mooiste en het koudste gedeelte van Uganda. Jammer genoeg was de roestige bus niet bestand tegen een heftige tropische regenbui waardoor er tijdens het instappen al een laag water stond waar je in je douchecabine ernstig zorgen over zou maken. Ook vulde de bus zich langzamerhand tot Cubaanse volheden waardoor we veel mensen van dichterbij hebben leren kennen dan we ooit gewenst hebben.

Maar bij William, zittend net achter mij, geen spoor van ergernis. Zo’n cockpit is ook niet ruim natuurlijk. Hij praatte honderduit met de passagiers en voordat ik er erg in had kreeg ik gebakken banaan, sim-sim koekjes en gestokt geitenvlees aangeboden die hij als een jager-verzamelaar bijeengesprokkeld had bij verkopers door het busraam. Na een lange en natte rit van zo’n negen uur kwamen we aan in Kabale, inderdaad een heel mooi heuvelachtig en koud gebied. Koud dan voor de gemiddelde Afrikaan met 15 graden Celsius. Persoonlijk kwam me dit niet slecht uit omdat ik eindelijk grond had gevonden voor de drie dikke ongebruikte wollen truien die ik uit Nederland had meegenomen.

Na een interessant bezoek in een museum over de Baganda stam waar we onder andere leerden dat geiten als kachel dienden door ze s’nachts onder een verhoogd bed te plaatsen, vertrokken we met gehuurde taxi auto’s en brommers richting Rwanda over zandwegen door een daadwerkelijk prachtig groen heuvellandschap bezaait met terrasvormige akkers, kleine huisjes en kerkjes. Op de grens kwamen we erachter dat we een visum bij de Rwandese ambassade in Uganda aangevraagd hadden moeten hebben, maar na heel subtiel de ‘foreign-wist-ik-veel-card’ op tafel te hebben gelegd werden we doorgelaten.

In Rwanda bezochten we het Virunga National Park bekend om de gorilla’s die in een vallei wonen omringd door maar liefst vijf vulkanen. Natuurlijk moest en zou, een van deze vulkanen even beklommen worden en het liefst de hoogste (3.600 meter)! Helaas konden we geen gids vinden voor deze nog actieve vulkaan en dus beklommen we de ‘lage’ Bisoke (2.900 meter). Maar met malaria net achter de rug en William’s buikkrampjes, hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door het gestokte geitenvlees in de natte bus, ging dat zo makkelijk niet. Waar onze Franse en Zweedse groepsgenoten de berg ophuppelden leken wij op twee oude oorlogsveteranen, strompelend de modderige berg op, leunend op een houten stok. Maar we hebben de top toch gehaald en kregen een mooi kratermeer als beloning. En warempel zagen we ook nog een dampende gorilla bolus, maar dichterbij lieten de zwartharigen ons niet komen.

Na het verkennen van Lake Bunyonyi al varend in een boomstam en een joy-flight met Simon, een Mission Aviation Flight (MAF) piloot, door Uganda vertrokken we naar Sudan. Hier kreeg William een indruk van het land, mijn collega’s en vrienden, en van het werk wat ik hier doe. De tijd vloog, na twee dagen in Juba, Zuid-Sudan’s stoffige hoofdstad was William weer ‘due’ om terug te vliegen. Een mooi bezoek, goede gesprekken, veel lol en avontuur.

Tien maanden
Veel mensen vragen me hoe ik het leven hier ervaar. Ik ben nu sinds tien maanden in Zuid-Sudan en moet zeggen dat het leven, hoe anders het ook is, normaal lijkt te worden. Je raakt eraan gewend dat de standaard anders is qua eten, vervoer en wonen en kijkt niet meer op van dingen die wij in Nederland vreemd zouden vinden zoals verhalen over geesten, het eten van witte mieren of joelende vrouwen tijdens een begrafenis. Ook hebben de lokale bewoners mij geaccepteerd als deel van de Pojulu Community en wordt ik altijd vriendelijk verwelkomt als ‘Barukimang’. Het leren van de taal is wel lastig. ZOA’s werktaal is namelijk Engels wat het moeilijk maakt om goed Bari en Juba Arabic te leren, maar gelukkig zijn er redelijk wat mensen in de community die ook Engels spreken.

Over twee maanden loopt mijn traineeship af en kom ik weer voor een tijdje naar Nederland. Waarschijnlijk blijf ik daarna werken bij ZOA in Zuid-Sudan wat nog niet helemaal in kannen in kruiken is, maar vast wel goed komt. Ook krijg ik vragen over Abyei de betwiste olierijke provincie die op de grens tussen Noord-en Zuid-Sudan ligt. In de aanloop naar onafhankelijksdag van Zuid-Sudan op 9 juli zijn er spanningen tussen beide landen. Maar gelukkig zijn de Verenigde Naties sterk vertegenwoordigd met vredestroepen en oefent de internationale gemeenschap grote druk uit, vooral op Bashir de president van Sudan, om tot een vredige oplossing voor de regio te komen. Zoals je kunt zien heb ik wat nieuwe foto's ge-upload.

zondag 20 maart 2011

Geluk = geluk ?

Ik weet dat het alweer een paar maanden geleden is sinds mijn laatste ‘post’. Maar vrees niet, ik ben nog altijd ‘alive and kicking’ :) De referendum periode is heel rustig verlopen en maar liefst 99% van de Zuid-Sudanezen heeft voor onafhankelijkheid van Sudan gekozen. Deze uitslag biedt veel hoop voor een vredige toekomst na meer dan 20 jaar burgeroorlog! In ‘Bye bye Khartoum’, de ‘post’ hieronder, kun je lezen hoeveel het referendum betekend heeft voor de Zuid-Sudanezen. En op 9 juli 2011 is het eindelijk zover: op die dag kunnen de Verenigde Naties hun nieuwste landen-telg bijschrijven.


Wel opvallend om te zien dat de gaten tussen mijn ‘entries’ groter zijn geworden naarmate ik hier langer ben. Een verklaring is dat zelfs het Zuid-Sudaneze leven gewoon wordt. Ik woon en werk hier nu sinds zeven maanden en merk dat ik de levensstijl hier als ‘normaal’ heb aangenomen. Zo twijfel ik niet meer voordat ik boven het poepgat ga hangen, en sta ik niet meer onhandig te doen met mijn tijltje water en blokje zeep tijdens het ‘douchen’.Daarnaast heb ik een koelkastloos leven inmiddels geaccepteerd: in de praktijk betekend het dat je eigenlijk alleen maar lauw water of hete thee drinkt en altijd ‘droog eet’ omdat je vers drinken en voedsel niet kunt bewaren. Ook ben ik vergeten hoe het voelt om over een asfaltweg te rijden en kijk ik niet gek meer op als we voorrang verlenen aan een overstekende geit.

Het leven kan nog zo anders zijn, alles went. Er zijn ook kanten aan het leven hier die het aanpassen makkelijk maken. Zo is het weer hier zalig. De drie wollen truien die ik heb meegenomen zitten nog netjes gepakt in mijn koffer. En de sterrenhemel is iedere avond fenomenaal. Ik heb nooit geweten dat er meer dan 12 sterrenbeelden zijn. Ook hangen er fris en fruitige vruchten aan de bomen: het mango en avocado seizoen komt er namelijk aan!

Maar dit neemt niet weg dat het leven hier harder is. Continu lijden mensen aan malaria en tyfus, de meest voorkomende ziekten hier. Medicijnen zijn beschikbaar, maar veroorzaken nog veel sterfte vooral onder kinderen. Ook overlijden veel kinderen al tijdens of vlak na de bevalling, er is hier nagenoeg geen medische hulp. Daarnaast is er bijna geen economie in de rurale gebieden behalve wat ‘kleinhandel’. Voor hun brood betekend het dat mensen zijn aangewezen op tuinieren. Ze verbouwen hun eigen eten maar dit is vaak niet gevarieerd genoeg wat bevestigd wordt door hongerbuikjes die je hier en daar bij kinderen ziet.

In de paar steden in Zuid-Sudan is er wel werk te vinden, maar met een bevolking waarvan 80 a 90% niet kan lezen en schrijven is het moeilijk voor de overheid om gekwalificeerd personeel te vinden. In ruraal Zuid-Sudan, waar de meeste mensen wonen, bestaat de lokale overheid vaak alleen maar op papier of maar uit een paar mensen. De bewoners merken dan ook weinig van het bestaan van de lokale overheid. In veel gebieden voorzien NGOs de mensen van basisvoorzieningen zoals water, scholing en gezondheidszorg. Ze bouwen daarnaast de lokale overheid op zodat ze het werk kunnen overnemen. Maar naast deze basisvoorzieningen hebben de Zuid-Sudanezen nog nooit van kinderbijslag of AOW gehoord.

Voor internationale begrippen zijn de mensen hier dus straatarm. Meer dan 50% van de mensen hier leeft onder de absolute armoedegrens van $1 inkomsten per dag. Maar gelukkig is armoede niet absoluut, het is relatief. Ik zal het uitleggen. Wat betekend ‘armoede’ in Nederland? Je bent arm als je bij de voedselbank je eten moet halen. Dit betekend niet dat je geen appartement hebt, geen TV-aansluiting, of wasmachine. In Nederland ben je arm als je maandelijks niet rond kunt komen. Ik wil armoede in Nederland niet bagatelliseren, arme mensen waar ook ter wereld hebben het zwaar, maar ‘armoede’ in Nederland betekend iets heel anders dan ‘armoede’ in Zuid-Sudan waar überhaupt niemand een TV heeft, ooit van een wasmachine gehoord heeft, of voedselhulp krijgt.

Dus voor Nederlandse begrippen is iedereen ‘arm’ in Zuid-Sudan maar voor Zuid-Sudanese begrippen is dat veel minder omdat de lokale mensen hier een heel ander referentiekader hebben. Het is heel normaal om in een tukul (kleien hut met een rieten dak) te wonen zonder stromend water of elektriciteit. Het is ook normaal om geen auto te hebben, of bankrekening, of baan. Maar deze mensen voelen zich niet arm omdat de norm hier heel anders is. Er zijn zelfs mensen die in een tukul wonen en zich heel rijk voelen! Kemis, een man hier in het dorp bijvoorbeeld heeft een klein winkeltje, een veld met cassava, twee vrouwen, acht kinderen, vijf geiten en een koe. Voor de mensen hier is Kemis een rijk en gezegend man. Kemis denkt er trouwens over na om nog een vrouw te nemen.

In Zuid-Sudan is een man arm als hij maar een paar of helemaal geen kinderen heeft. Dit betekend dat hij niet genoeg eten verbouwd of geld verdiend om een gezin te onderhouden. Een man is nog armer als hij geen vrouw heeft. Dit betekend namelijk dat hij niet eens geld heeft om een bruidschat te betalen. Deze man zal dus ook geen geiten en koeien hebben anders had hij wel een vrouw gehad. Dit is wat ‘armoede’ betekend in Zuid-Sudan, dus iets heel anders dan in Nederland.

En hoe zit dat met geluk? Ongeveer hetzelfde: waar je in Nederland, in Hengelo bijvoorbeeld, doodongelukkig zou zijn met een kleien hut zonder stroom of lopend water, een veldje maïs, twee zeurende vrouwen, zeven kinderen, drie geiten, een kip en een koe, zijn mensen hier daar heel gelukkig mee! Het geld in enige mate zelfs andersom. Zet je hier een Nederlands appartementenblokje neer met alles erop en eraan: water, elektriciteit, vloerbedekking, eettafel, gasfornuis, bestek, je kunt het zo gek niet verzinnen, maakt dat een Zuid-Sudanees niet perse gelukkig: “Waar moet ik mijn geiten houden, ik woon op de bovenverdieping! Hoe gebruik ik een gasfornuis? Kan dat niet gewoon op kolen? Bestek? Ik gebruikt toch gewoon mijn handen om mee te eten!

Geluk hier is niet hetzelfde als geluk daar, gelukkig maar…

vrijdag 7 januari 2011

'Bye Bye Khartoum'

Zondag mogen de zuidelijke Sudanezen in een referendum beslissen of het land als één natie verdergaat of dat de staat zich horizontaal door midden splijt in een noordelijk Sudan èn een onafhankelijk Zuiden. Na veel lijden zien de zuiderlingen het referendum als dè kans om aan een nieuwe toekomst te beginnen.

Na beëindiging van de burgeroorlog tussen noordelijk en zuidelijk Sudan in 2005 is er met het ‘Comprehensive Peace Agreement’ afgesproken dat er op 9 januari 2011 een referendum wordt gehouden over de toekomst van het land. Sara Simon (28), moeder van twee kinderen, heeft zoals bijna alle Zuid-Sudanezen veel geleden tijdens de tweeëntwintigjarige burgeroorlog die aan ongeveer twee miljoen mensen het leven kostte. “Ik was nog heel jong toen de noordelijke Arabieren het zuiden binnenvielen.

We moesten s’nachts in kleine gaten in de grond slapen om veilig te zijn voor laagovervliegende Antonev vliegtuigen die bommen op onze dorpen wierpen”, vertelt Sara.

Begin jaren negentig werd de situatie zo onveilig dat het merendeel van de zuiderlingen Sudan ontvluchtten naar buurlanden zoals Ethiopië en Kenia. Zelf vluchtte Sara naar het noorden van Uganda waar zij jaren van haar jeugd in een vluchtelingenkamp doorgebracht heeft. Daar zorgden Ugandezen onder het bewind van Joseph Kony, rebellenleider van het Lord Resistance Army (LRA), voor veel moeilijkheden. “Het leven was er niet makkelijk omdat Ugandezen ons niet in hun land wilden hebben. Ze plunderden en staken onze hutten in brand. Ook vroegen ze willekeurige mensen of ze wilden glimlachen of niet. Zeiden mensen ‘ja’ dan werden hun lippen letterlijk op slot gedaan met een hangslot, zeiden mensen ‘nee’, dan werd hun mond verder opengesneden.” Sara vertelt dat veel Sudanezen zelfs het vluchtelingenkamp moesten ontvluchtten. “In die tijd zongen we over ons lijden: ‘Waarom straft God ons? Is het omdat we zwart zijn? Worden wij gestraft voor de zonde van Adam en Eva? God, waarom laat U ons zo lijden?’”

Alfred Wani (38), nu werkzaam als manager voor een NGO, vluchtte al lopend voor honderden kilometers naar de Centraal Afrikaanse Republiek (CAR). Daar kreeg hij een andere behandeling dan zijn landgenoten in Uganda. “In CAR moesten we nog zo’n honderd kilometer door droog land naar het vluchtelingenkamp lopen zonder eten of drinken te hebben. Maar godzijdank zetten de lokale mensen manden gevuld met cassava en ander eten langs de kant van de weg. Zij hebben ons gered, en gezorgd dat we sterk genoeg waren om de wilde dieren af te weren.” Alfred die later in Uganda met zijn familie herenigd werd had geluk dat hij een studiebeurs van de Jezuïeten ontving waardoor hij als één van de weinige Zuid-Sudanezen kon studeren in Kampala, de hoofdstad van Uganda. Daar kwam John Garang (overleden in 2005), voormalig leider van het Zuid-Sudaneze bevrijdingsleger, de SPLA op bezoek. “John Garang kwam om de Zuid-Sudanezen in Kampala te mobiliseren de strijd tegen Khartoum (hoofdstad van Sudan) te hervatten. Mijn vader heeft zich bij de SPLA gevoegd.”

Rond 2004 keerden de meeste vluchtelingen weer terug naar Sudan. Alfred keerde in 2002 terug om te werken voor een NGO en schetst de situatie die er toen in het land heerste. “Er waren geen wegen meer, huizen waren verwoest door bommen, en er waren geen scholen of gezondheidsklinieken. NGOs waren vitaal omdat er ook geen overheid was om basisvoorzieningen te regelen. Het is significant wat er tussen toen en nu ontwikkeld is.” Dit is ook de reden waarom Afred onafhankelijkheid steunt. “De culturele en economische verschillen tussen het rijke noorden en het arme zuiden zijn tè groot. Blijven we één, zal altijd weer conflict ontstaan. Als zuiderlingen moeten we de kans krijgen om ons zelf te ontwikkelen zodat onze kinderen en kleinkinderen de vruchten zullen plukken van onze onafhankelijkheid.”

“Maar in Zuid-Sudan zelf bestaan er ook veel verschillen,” erkend Alfred. Zuid-Sudan is samengesteld uit tal van etniciteiten waarvan de Dinka-stam de grootste bevolkingsgroep is. “Waar ik bang voor ben is dat de Dinka’s, die vaak barbaars gedrag vertonen, de macht zullen overnemen en het niet democratisch willen afstaan. Dit zou heel slecht voor Zuid-Sudan’s ontwikkeling zijn.” Maar Alfred ziet het niet te somber in. “Tijdens de campagne voor het referendum hebben we gezien dat 9 januari 2011 alle bevolkingsgroepen samenbrengt. Door het referendum beseffen mensen dat ze samen als Zuid-Sudanezen de macht en het vermogen hebben om een nieuwe oorlog te voorkomen.” Dus ook John Paffuri (33), bewaker van dezelfde NGO, weet wel wat hij zal stemmen tijdens het referendum, “Bye bye Khartoum!”, zegt hij wuivend met een grijns op zijn gezicht.

zondag 14 november 2010

Koop je vrouw op lening

Leven in Limbe
Iets meer dan drie maanden geleden vertrok ik naar het ‘land der zwarten’, de letterlijke betekenis van‘Sudan’. Het zijn drie hele interessante maanden geweest waarin ik veel gezien, geleerd, en gewerkt heb. De vorige keer dat ik schreef woonde en werkte ik in Katigiri, een klein dorp. Ondertussen woon en werk ik in Limbe, een gat vergeleken met wereldstad Katigiri. Limbe bestaat welgeteld uit 40 toekoe’s (kleien hutten), een kerk, een paar kraampjes met frisdrank, tomaten, en biscuit, 15 mango bomen die dienen als ontmoetingsplaats in de koele schaduw, zo’n honderd mensen wonend tussen het maïs, en misschien wel evenveel geiten.

Je zou dus zeggen dat ik ‘in het midden van nergens zit’, en zo voelt dat soms ook wel. Maar nergens is er helemaal niets. Zo is er hier iedere dag veel leven op het terrein van ZOA in Limbe. En na werktijd kunnen we bijvoorbeeld een potje voetballen met de ‘community’, domino spelen met de mannen onder een van de mangobomen (cultureel is het namelijk niet acceptabel dat vrouwen domino spelen), of waterpijp roken bij Limbe’s beste kraampje aan de Yei-Juba Road. Mijn Bari en Juba Arabic, de twee talen die ze hier naast Engels spreken, gaan stukje bij beetje vooruit. Ik weet nu bijvoorbeeld hoe je met “ti taling gwe ko ta” iemand een vredige dag toewenst in het Bari.

Ook heb ik al een heuse bijnaam gekregen, meer door toeval eigenlijk. In Katigiri was er een man die ‘Barukimang’ in plaats van ‘Buikema’ verstond toen ik mij voorstelde. Daarop vroeg hij mij: “kom jij uit Barukimang?” Bleek dat er een klein plaatsje is wat ‘Barukimang’ heet. Nu is er de legende dat de stichters van het plaatsje vuur nodig hadden om te koken en geiten te roosteren nadat ze zich gesettled hadden. Omdat lucifers en aanstekers hier geen gemeen goed zijn, riepen ze de hulp in van een man die hun vuur bracht, hoe precies weet ik niet. Omdat ze hier zo blij mee waren vereerden ze de hem door hun dorpje de naam: “man die vuur brengt”, te geven. Dit is de betekenis van het Bari-woord: ‘barukimang’. Ik loop dus tegenwoordig met een aansteker op zak.

Koop je vrouw op lening
Er zijn hier veel verschillen met de Nederlandse cultuur. Misschien wel de meest opvallende zijn verschillen in (liefdes)relaties. S’avonds tijdens het drinken van frisdrank en het eten van biscuit (een van de weinige snacks hier) komen er vaak relatieverhalen naar boven. Zo vertelde een Ugandese collega dat hij zijn vrouw op lening heeft gekocht! Dat zit namelijk zo: voor een dochter vragen de vader en haar ooms een bruidschat zodra ze wordt uitgehuwelijkt of zelf met een huwelijkspartner is gekomen. De hoogte van de bruidschat hangt van veel factoren af: is de dochter een harde werker? Is ze trouw, maagd, intelligent, en vruchtbaar? Het hangt ook af van haar stam: Mundari vrouwen zijn bijvoorbeeld veel duurder dan Bari vrouwen. Daarnaast hangt de hoogte af van de welvaart van de huwelijkskandidaat. Komt de bruidegom uit een rijke familie, moet hij veel meer betalen dan een arme sloeber. Voor de familie van de bruid zou ik bijvoorbeeld een ideale huwelijkspartner zijn: “omdat kawatja’s (witte mannen) nu eenmaal veel geld hebben!”

Terug naar Cristopher, de Ugandese collega. Ik heb zijn vrouw niet ontmoet, maar als ik hem mag geloven is ze een beeldschone, intelligente, en hardwerkende vrouw. Geen koopje dus helaas. Ook komt hij uit een redelijk welvarende familie, dus is hij akkoord gegaan met een bruidschat van 10 koeien, 10 geiten, en $10.000 dollar, wat hier een gigantisch bedrag is. Omdat hij dit niet direct kon ophoesten heeft hij zijn vrouw op lening gekocht. Hij hoopt zijn vrouw binnen tien jaar echt in bezit te hebben.

Girl Child Education Campaign
Een groot nadeel voor meisjes in dit systeem is dat ze doorgaans al in hun tienerjaren uitgehuwelijkt worden, soms al op 13-jarige leeftijd. Dit betekend dat ze vaak op jonge leeftijd hun clan (verzameling van families) verlaten om zich bij de clan van hun man te voegen. Daarom investeren veel families niet in de toekomst van hun dochters door ze naar school te sturen: “ze verlaat onze familie toch voordat ze oud genoeg is om inkomen te verdienen.” Ook sturen ze hun dochters niet naar school omdat veel ouders zelf ook geen onderwijs gehad hebben en daarom er niet het nut van inzien. Ongeveer tachtig procent van de mensen hier is analfabeet. Wat de ouders niet inzien is dat ze een hogere bruidschat voor hun onderwezen schoondochters kunnen vragen en dat ze beter onderwezen schoondochters aan hun familie kunnen toevoegen omdat die veel meer inkomen voor de familie binnenhalen.

Daarnaast vind ZOA het belangrijk dat meisjes naar school gaan omdat ‘recht op onderwijs’ een mensenrecht is (zie 'article 26') en een Millennium Development Goal (zie 'universal education'). Daarom hebben we in samenwerking met de overheid een campagnedag opgezet met als slogan: “Educating One Girl is Educating the Whole Nation”. Deze dag werd bijgewoond door twee vrouwelijke parlementsleden, tal van stamhoofden, en schooldirecteuren die vurige speeches hielden voor ons en voor radio en televisie. Maar het meest indrukwekkende statement kwam van de schoolmeisjes zelf door een mars, muziek, gedichten, dans en liederen met zelfgeschreven teksten zoals: “pa-rents we a-nounce, that we need edu-cation!”

Het referendum op 9 januari 2011
Het jaar vliegt voorbij. Al bijna is het december, de maand waarin ik voor meer dan een maand naar Uganda ga om kerst te vieren. En 9 januari 2011 is de dag van het langverwachte referendum waarmee de Zuid-Sudanezen kunnen stemmen voor nationale eenheid of voor afscheiding met noordelijk Sudan. De verwachting is dat de Zuid-Sudanezen massaal voor afscheiding stemmen, ze hebben immers meer dan 20 jaar burgeroorlog met het noorden achter de rug. Zuid-Sudan zal dan een onafhankelijke staat uitroepen, maar de vraag is of het noorden dit zal accepteren. Zo niet, dan is er kans dat er een nieuwe burgeroorlog uitbreekt. Het is dus een hele spannende tijd hier en we kunnen dus alle gebed en positieve gedachten gebruiken.

zondag 19 september 2010

Een nacht in 'three-two'

Na veel ‘desk work’ was ik blij om weer eens om het ‘veld’ in te gaan om een aantal projecten van ZOA te bezoeken. Ik wist toen niet dat het een ‘fieldtrip’ zou worden om niet snel te vergeten…

ZOA is in Zuid-Sudan actief in een provincie ter grootte van Nederland, vanaf vier zogenaamde ‘compounds’, een lapje grond met een kantoor en stevige kleien hutten (tukuls). Het meeste ZOA personeel woont en werk hier en vanaf deze locaties voert ZOA tal van projecten uit zoals het verbeteren van de voedselzekerheid door de introductie van nieuwe zaden en landbouwtechnieken, het voorlichten van gemeenschappen over het gebruik van schoon drinkwater en het organiseren van sanitatie om ziektes te voorkomen, of door het ondersteunen van scholen. Over de afgelopen jaren heeft ZOA veel geïnvesteerd in het onderwijs in Central Equatoria door het bouwen van scholen, het trainen van leraren, de constructie van wc’s, de provisie van lesmateriaal, etc. Eén van de onderwijsprojecten liep in juni dit jaar af. De donor van het project vraagt aan het einde om een evaluatie waarin ZOA moet laten zien dat het geld goed besteed is en dat de doelstellingen behaald zijn.

Mij is gevraagd om binnen twee weken een evaluatie rapport op tafel te leggen samen met Chaplain, een ervaren en jolige Sudanese collega. Hierop besloten we om zo snel mogelijk onze biezen te pakken zodat we een representatief deel van de 24 scholen konden bezoeken. Na een lange dag over de slechte Zuid-Sudanese zandwegen (in heel Zuid-Sudan, ter grote van Frankrijk en Italië samen, is er maar 50km asfaltweg) en het afnemen van interviews met leraren, ouders en leerlingen was het tijd om uit te rusten in een simpele bakstenen ‘lodge’ in Rokon om de volgende dag te vertrekken naar Tijor. Mijn collega’s hadden me al voorbereid op de schijbaar slechte weg naar het afgelegen dorpje waar ZOA een aantal scholen ondersteund. Vanaf Rokon zou het drie uur rijden zijn mits de weg niet te nat was. Lokale mensen in Rokon vertelden ons dat het al een week niet geregend had en de weg dus goed genoeg zou moeten zijn voor onze four wheel drive Toyota Landcruiser.

Het bleek dat mijn collega’s niet overdreven hadden. Zelfs de slechtste Nederlandse boerenweg deed niet onder voor de weg naar Tijor die volgens mijn collega lang geleden door de Engelsen was aangelegd. We raasden met slecht zicht door het natte en meer dan twee meter hoge gras waartussen nog net twee sporen zichtbaar waren voor Jozef onze chauffeur en Juka onze assistent chauffeur die achteraf geen overbodige luxe bleek te zijn. Jozef leidde ons met succes door rivieren en modderpoelen maar op anderhalf uur van Tijor bleek een diepe modderpoel dan toch te machtig voor de Landcuiser: we zaten vast. Terwijl Joseph en Juka in de tropische middagzon de auto met de ‘tanganyika’ (een hefboom) opkrikten, verzamelden Chaplin en ik takken om onder de wielen in de modder te duwen. Na een uur in de modder gespeeld te hebben en het executeren van een kleine voorbij wandelende schorpioen was het tijd een poging te wagen om de auto los te rijden. Jozef gaf vol gas, en de auto kwam in beweging, maar helaas gleed de schuin liggende auto zijdelings van de takken, en konden we weer van vooraf aan beginnen.

Een passerende vrouw, knap balancerend met een gevulde jerrycan op haar hoofd, was op weg van de waterput naar haar dichtbijliggende dorp en riep de hulp in van een paar jongemannen die snel aan de slag gingen met het kappen van bomen om ze vervolgens in kleinere takken te hakken. Maar ook met hun hulp kwam de auto na nog twee vergeefse pogingen alleen maar dieper in de modder vast te zitten. Met de vierde poging was het dan eindelijk raak! Zes uur nadat we vast kwamen te zitten stuurde Jozef de voorheen witte auto uit het modderbad. Na het delen van ons laatste water en eten met de behulpzame arme dorpelingen was het inmiddels te laat om Tijor voor het donker te bereiken dus zetten we weer koers terug naar Rokon.

Maar het harde werk in de brandende zon had Josef zijn tol geëist want na een lange slip kwamen we een half uur later weer vast te zitten, dit keer nog erger dan de eerste keer, èn met de schemering op komst. Onze modderige tanganyika kreeg ook nog eens kuren en omdat de radio het niet meer bleek te doen konden we geen hulp inroepen van onze collega’s. Na twee vergeefse pogingen zat er dus tegen zevenen niets anders op dan de nacht door te brengen in het moerassige gebied in onze Landcruiser, ook wel ‘three-two’ genoemd. Met vier man in de auto probeerden we het zo comfortabel mogelijk te maken maar de temperatuur in de muffe three-two steeg al snel naar zo’n dertig graden. Om zuurstof in de auto te laten moesten we één van de raampjes op een kier van een kleine centimeter te zetten maar toen roken de dorstige moerasmuggen opeens vers bloed.

Al snel verzamelden er zich tientallen zoemende en potentieel malaria dragende muggen zich in de warme three-two voor een feestmaal. We probeerden de tijd te doden door het oplossen van raadsels en het vertellen van verhalen, maar helaas mugt de tijd zich veel langzamer voorbij dan het vliegt. Na tot één uur s’nachts naar de zoemsymfonie geluisterd te hebben viel ik gelukkig in een diepe slaap. Pas om zes uur werd ik tegen ochtendgloren weer wakker en bleek ik de enige te zijn die daadwerkelijk geslapen had. Dorstig, hongerig, lekgeprikt en vermoeid gingen we toch lachend om de ironie van de situatie, we heten tenslotte ZOA Refugee Care maar in dit geval waren we zelf redelijk hulpeloos, weer aan de slag met het verzamelen van takken en stenen. Ook kregen we onze tanganyika gelukkig weer aan het werk en een paar uur later was three-two weer bevrijd! Met een groot vraagteken over de impact van ons project in Tijor, maar toch met een opgelucht gevoel kwamen we gistermiddag weer op onze compound aan in Katigiri.

Hoewel dit een uitzonderlijke situatie was, zijn de omstandigheden waarin ZOA in Zuid-Sudan werkt zwaar, vooral omdat het leven hier moeilijk voorspelbaar is. Er kan zomaar weer een conflict uitbreken, het kan hard regenen waardoor de wegen onbegaanbaar worden, ongeveer 80% van de bevolking is analfabeet, en er zijn weinig communicatie middelen. Zo zijn er geen Zuid-Sudanese TV of radio kanalen en alleen in de grote steden is er een mobiel netwerk. ‘Heeft het dan wel zin om hier als organisatie actief te zijn?’, is daarom een logische vraag die ook bij mij opkwam. En inderdaad, de omstandigheden maken het hier wel moeilijk om hier goed werk af te leveren, de kwaliteit van scholen, watervoorziening en gezondheidscentra is lang niet zo goed als in Nederland. Maar toch, als ik zie wat ZOA hier in acht jaar heeft bereikt is dat heel wat. Langs alle wegen kom je scholen en gezondheidsklinieken tegen met de bordjes ‘constructed by ZOA’. Dankzij het werk van ZOA in Zuid-Sudan zijn er bijvoorbeeld heel veel mensen die de gezondheidsvoordelen van schoon drinkwater ondervonden hebben, zijn er honderden mensen die geprofiteerd hebben van medicijnen tegen malaria, voorheen een dodelijke ziekte, en zijn er een paar duizend kinderen die basis onderwijs gehad hebben, wat hun toekomstkansen vergroot. Ik vind dat dit het waard is.

dinsdag 24 augustus 2010

Kawatja (witte man) in Zuid-Sudan

Welkom in het gemondialiseerde Sudan!
Een kleine gravel landingsbaan middenin een groen landschap met hier en daar een kleien hut markeerde mijn aankomst in Sudan. Het vliegtuigje van ‘Eagle Airways’ had me zojuist voorzien van een prachtige arendsblik over Ugandees en Sudanees territorium met hoge bergen, savannes, en het majestueuze Lake Victora, vanaf Entebbe airport, vooral bekend van de film ‘Raid on Entebbe’ waarin Israëlische gijzelaars knap bevrijd werden. Naast de landingsbaan werd ik officieel welkom geheten door een geiten-en kippen-delegatie en veel belangrijker, door medewerkers van ZOA Vluchtelingenzorg.

Het immigratie kantoor, een bouwvallig gebouwtje naast de landingsbaan was het volgende station. De immigratie ambtenaar, een man met vier lange horizontale littekens op zijn voorhoofd, gaf ik mijn paspoort. Later leerde ik dat de horizontale littekens een overblijfsel waren van een initiatieritueel van de Dinka stam, waarbij er sneeën werden gemaakt in het voorhoofd van de jongen als symbool dat de hij een volwaardig stamlid werd. Andere stammen hebben anderssoortige littekens, zoals de Mundari, met littekens op het voorhoofd die als pijlen naar hun neus wijzen. Je zou dus kunnen denken dat ik zojuist op een op een andere planeet beland ben, maar schijn bedriegt. De ambtenaar pakte mijn paspoort aan en vroeg of ik uit Nederland kwam. “Ja, dat klopt”, antwoordde ik. Hij keek op van het paspoort en zei in Engels met een stevig Dinka accent: “Arjen Robben had echt die kansen moeten maken, heel Zuid Sudan steunde Nederland tijdens de finale!” Het Zuid-Sudanese Narnia bevindt zich dus niet op een andere planeet. Ook hier werd het WK-voetbal gevolgd.

ZUID-Sudan
Waarom refereer ik aan Zuid-Sudan en niet simpel aan Sudan? Een klein beetje geschiedenis om te begrijpen in wat voor soort gebied ZOA hier werkt: Net als andere Afrikaanse landen is het land Sudan een gedachtenspinsel van de Europese kolonisators. Je kunt het in de atlas zien, veel grenzen in Afrika zijn letterlijk met de lineaal getrokken. Maar voordat de Britten het land veroverden wat nu Sudan heet, woonden er in Afrika natuurlijk al heel lang mensen. In het noorden van Sudan waren dit vooral Arabisch sprekende Afrikanen, bekeerd tot de Islam, en in het zuiden voornamelijk nomaden-stammen zoals de Nuer en de Dinka, met hun eigen talen en eigen geloven (veel zuiderlingen zijn later bekeerd tot het Christendom onder invloed van Britse missionarissen). Onder Egyptisch-Brits bewind, sinds 1890, werden de cultureel zeer verschillende gebieden van Sudan samengevoegd tot één geheel. De Britten hadden hier wel rekening mee gehouden door het noorden en het zuiden als twee gebieden te regeren, maar toen Sudan in 1956 net als andere Afrikaanse landen onafhankelijk werd, ging het mis…

Burgeroorlog
De zuiderlingen waren bang dat het rijke en ontwikkelde noorden het arme zuiden zou gaan overheersen, en dus kwamen zuidelijke leger eenheden in opstand waardoor er oorlog ontstond, de Eerste Sudanese Burgeroorlog. Na een wapenstilstand van 11 jaar laaide de oorlog weer op in 1983 toen de Sudanese president Nimeiry in het overwegende christelijke zuiden, de strenge islamitische Sharia wetten wilde invoeren. Onder leiding van de dappere John Garang werd de SPLA-beweging (Sudanese People’s Liberation Army) opgezet, en de bloedige Tweede Sudanese Burgeroorlog was daarmee geboren. Het noorden gebruikte een wrede strategie door Arabische stammen, zoals de Baggara, in te huren. Met de wapens die ze kregen plunderden de Baggara dorpen in het zuiden waarbij de mannen vaak vermoord werden, de vrouwen verkracht, en kinderen als slaven naar het noorden werden meegenomen. Na meer dan 20 jaar oorlog werd er in 2005 eindelijk een vredesakkoord getekend. Sindsdien is het relatief rustig in het zuiden van Sudan. Door beide oorlogen zijn er ongeveer 2 miljoen mensen overleden en er zijn er zo’n 4 miljoen mensen op de vlucht geslagen binnen Sudan zelf, of naar buurlanden zoals Ethiopië, Kenia, en Uganda.

ZOA Traineeship
Nu het weer rustig is in Zuid-Sudan keren 100 duizenden vluchtelingen per jaar weer terug naar de gebieden waar ze woonden. Vaak is alles wat ze hadden verwoest en moeten de vluchtelingen weer helemaal opnieuw beginnen. ZOA Vluchtelingenzorg helpt de Zuid-Sudanesen om een nieuw leven op te bouwen door scholen en gezondheidscentra op te zetten, door de lokale overheid te trainen, door mensen te helpen hun land zo goed mogelijk te verbouwen, etc. Ik volg een traineeship bij ZOA waarin ik binnen een jaar het wel en wee van programma management leer. Na twee introductie weken waarin ik meerdere programma’s heb bezocht en heel veel mensen heb ontmoet, ben ik nu voor minstens twee maanden in het rustige Katigiri beland, waar ik op het terrein van ZOA nieuwsgierig mijn intrek genomen heb in een kleien hut met een grazen dak, klaar voor wat komen gaat.

maandag 5 oktober 2009

Terug in 'koeienland'

Na drie maanden onderzoek in Bolivia en negen maanden Engeland ben ik weer terug in ‘koeienland’ zoals er in Bolivia steevast naar ons land verwezen wordt. Gek genoeg zijn veel Bolivianen zo goed gelovig dat ze mijn grap dat iedere nederlandse familie een koe voor verse melk in de achtertuin heeft staan zonder twijfel geloven...

Afronding onderzoek
Zoals ik in mijn laatse bericht beschreef deed ik onderzoek in Bolivia voor mijn studie in Development Studies in Engeland. Via de nederlandse ambassade in La Paz onderzocht ik hoe het werk van mensen in de informele economie (sector van de economie zonder arbeidsrechten) verbeterd kon worden. Daarbij richtte ik mij op een nationaal certificeringssysteem voor werkers (SPCC) waarbij werkers een officieel certificaat van de regereing ontvangen als ze bepaalde vaardigheden hebben (de meeste mensen hebben geen diploma die aanluit bij hun professie). Hier een schetsje van Sofia een huiswerkster om te illusteren hoe het leven van een informele werker er uit ziet:

Sofia, een 30 jaar oude inheemse huiswerkster (veel gezinnen in Bolivia hebben een huiswerkster die kookt en schoonmaakt en vaak bij hen in huis woont), heeft vijftien jaar werkervaring. Ze is opgegroeid op het platteland in Manca Capac, een provincie vlakbij La Paz en is voor het eerst uit huis gegaan toen ze naar de middelbare school ging waar ze alleen het eerste jaar heeft afgemaakt. Toen ze vijftien was is ze naar La Paz, Bolivia’s grootste stad vertrokken omdat er geen werkgelegenheid op het platteland was (veel Bolivianen werken als kind). Ze begon te werken als assistent van haar nicht, één van de vele straatverkopers op het bekende Murillo Plein waaraan het Boliviaanse Parlement ligt, maar later vondt ze een betere baan als huiswerkster.
Vijf jaar later besloot ze te verstrekken naar Cochabamba een andere stad waar haar zussen woonden. Zij hielpen hier om de stad te leren kennen en om ook daar een baan als huiswerkster te vinden. Sinds acht jaar werkt en woont Sofia nu in hetzelfde huishouden. The werkrelatie tussen Sofia en de familie is gebaseerd op vertrouwen omdat ze nooit een contract gekregen heeft. Zij heeft er geen problemen mee omdat ze haar altijd betaald hebben. Sofia heeft geen recht op vakantie maar omdat ze er niet van houdt het huis te verlaten tijdens nationale feestdagen mag ze één keer per jaar tijdens de oogst haar familie op het platteland opzoeken.
Sofia begon met een maandelijks salaris van 650 Bolivianos (ongeveer 65 euro voor voltijd werk) maar de familie heeft haar salaris verhoogd tot 800 Bolivianos (80 euro) omdat ze blij met haar zijn. Dit salaris is niet hoog genoeg om te voorzien in haar levensbehoeften, helemaal omdat ze iedere maand geld naar haar familie stuurt (remittances). Sommige maanden stuurt ze zelfs 400 Bolivianos (40 euro) zodat haar kleine zusjes die nog op het platteland wonen naar school kunen gaan. Sofia droomt stilletjes van een ander leven en denkt er veel over na om het huishouden te verlaten, maar ze weet niet of ze wel ander werk kan vinden en ze wil het vertrouwen van de familie waar ze werkt en woont niet verliezen...

Met mijn onderzoek heb ik aangetoond dat een officieel regeringscertificaat het werk van informele werkers zoals Sofia kan verbeteren. Het wordt bijvoorbeeld makkelijker om nieuwe werk te vinden of om een hoger salaris te eisen. Vooraf wilde ik graag een onderzoek doen dat nuttig zou zijn voor een orgranisatie. Ik heb de thesis inmiddels gepresenteerd op de ambassade en bij FAUTAPO (organisatie van de certificaten) en vooral de laatste organisatie kan het onderzoek goed gebruiken. Voor mijzelf was dit een uitgelezen kans om het werk van de ambassade en van Boliviaanse organisaties op ontwikkelingsgebied goed te leren kennen, en om meer te leren van het leven van mensen in Bolivia, een geweldig land maar wel het armste van Zuid-Amerika (67% leeft in armoede). Iets met je eigen ogen zien is zoveel leerzamer dan een literatuurstudie.

After Master
Nu ik de studie in Engeland heb afgerond ga ik in Utrecht nog mijn bachelorthesis in Liberal Arts & Sciences afronden die ik net niet heb kunnen afmaken voordat ik naar Engeland vertrok. Daarna ben ik student af en probeer ik een plekje op de mondiale arbeidsmarkt te veroveren voor februari en bij voorkeur op de Afrikaanse of Latijns-Amerikaanse arbeidsmarkt.

Viajes (reizen)
Na het afronden van de masterthesis ben ik een paar weken van het Latijn-Amerikaanse continent gaan genieten. Met een 26 uur! durende busreis ben ik van La Paz naar Lima in Peru gegaan waar ik mijn vriendin Katha na een paar maanden weer ontmoette. Met haar ben ik een paar weken gaan rondreizen in het diverse Peru waar net als in Bolivia de Inca-cultuur nog een grote rol speelt. Er wordt bijvoorbeeld nog veel Qechua gesproken en oude religieuze gebruiken zijn vaak samengesmolten met katholieke (Spaanse) tradities, met een dure term ‘syncretisme’ genoemd. Het hoogtepunt van de reis (letterlijk en figuurlijk) was Machu Pichu de mysterieuze Inca stad verborgen in de stijle bergen bij Cuzco. De stad is herontdekt in het begin van de vorige eeuw aan de hand van oude legendes (wie weet wordt Atlantis ook ooit nog eens gevonden) ligt op duizenden meters hoogte en is een knap staaltje ingenieurswerk waar bouwvakkers van nu nog steeds iets van kunnen leren. Ook was de uitgestorven stad een religieus centrum van het Inca-emperium (wat meer dan de helft van Zuid-Amerika besloeg) waar verschillende goden vereerd werden zoals de zon, de bergen, en de condor. Een ander indrukwekkend hoogtepunt van de reis waren de maagdelijk witte zoutvlakten bij Uyuni in Bolivia, helder in het maanlicht en schitterend in de zon. De zoutvlakten verwijzen naar een vochtig verleden met een groot meer in de regio.

Na een paar maanden in het avontuurlijke Bolivia ben ik dus voor minstens een paar maanden weer terug in het vertrouwde Nederland. Ik kom weer in mijn oude kamer in Utrecht te wonen waar jullie altijd welkom zijn!

dinsdag 14 juli 2009

English stories, y historias de Bolivia

Het is al meer dan acht maanden geleden sinds mijn laatste bericht, dus ik hoop dat Nederland mij nog niet vergeten is! Om even het geheugen te verfrissen: ik ben die blonde jongen uit het oosten des vaderlandsch, die om één of andere reden altijd wel weer iets verzint om Nederland te verlaten (ligt niet aan jullie!). De laatse keer ging ik naar Brighton, Engeland om daar een master in ontwikkelingsstudies te doen.

Development Studies
En daar was ik ongeveer gebleven met mijn laatste blog post in oktober vorig jaar. Intussen is er veel gebeurd waaronder wéér geografische verplaatsingen. Met de studie is alles zo zijn gangetje gegaan: les in les uit, essay hier, essay daar, en van wintertijd werd het zomertijd. Ik heb zoveel geleerd over ontwikkelingsvraagstukken dat deze post makkelijk een boek zou kunnen worden, maar dat doe ik jullie niet aan. Een paar lessen sprongen er echter uit.

Van het studeren met een hele diverse groep mensen, met verschillende nationaliteiten (Zimbabwe, India, Italie, Kenia, Duitsland, Japan, Nepal, Brazilie, Bhutan, Engeland, Tanzania etc.), religies (moslim, hindoe, seculier, christen, boedist), leeftijden (van 21 tot 43 jaar), en ervaringen in ontwikkelingswerk (media, VN-organisaties, regeringen, NGO’s, universiteiten, etc.), heb ik veel geleerd. We hebben naast de studie ook veel opgetrokken en zijn goede vrienden geworden. Als ik daar nu op terugkijk denk ik: “wat is het eigenlijk bijzonder dat al deze verschillende mensen op zo’n leuke manier samengeleefd hebben, in tijden waarin er op veel plaatsen zo weinig tolerantie bestaat voor mensen die ‘anders’ zijn.” Het samenleven voelde als het bekende nummer van Bob Marley: “One love, One heart” (hier spreekt Pieter-de-hippie ;).

Daarnaast heb ik veel geleerd van cursussen met ingewikkelde namen zoals ‘the politics of pro-poor growth policies’. We hebben het over tal van speciefieke onderwerpen gehad zoals: bestrijding van AIDS, genetisch gemanipuleerde gewassen, conflict resolutie, the Dutch Disease (economen weten waar ik het over heb), globalisering, klimaatverandering, en ga zo maar door. Maar ik heb ook een paar algemene lessen over ontwikkelingsvraagstukken meegekregen:

-ontwikkeling betekend: ‘good change’ (Robert Chambers)
-de (sociale) wereld is zeer complex
-hieraan gelinkt: er bestaan geen ‘one size fits all’ oplossingen, iedere culturele context heeft zijn eigen oplossingen nodig
-het is niet goed als arme mensen van hulp afhankelijk worden, daarmee verliezen ze een gevoel van eigenwaarde en zelfrespect
-ontwikkelingslanden worden steeds minder afhankelijk van westerse hulp en ontwerpen hun eigen ontwikkelingsagenda (grote voorbeelden: China, India)
-hieraan gelinkt: participatie van arme mensen in hun eigen ontwikkeling is noodzakelijk, want wat begrijpen wij als ‘experts’ werkelijk van wat arme mensen nodig hebben, en hebben wij het recht om onze eigen agenda aan arme mensen op te dringen?
-en ten slotte heb ik geleerd dat hoe meer je studeert, hoe meer vragen je krijgt :)

Onderzoek in La Paz, Bolivia
Jullie zullen gemerkt hebben dat ik in de verleden tijd schreef. De master duurt tot september maar ik ben inmiddels(voorgoed) vertrokken uit Engeland om afstudeeronderzoek te doen in La Paz, Bolivia. Sinds drie weken doe ik een onderzoeksstage in samenwerking met de Nederlandse ambassade in La Paz, naar de invloed van een nationaal certificeringsprogramma op (zelfstandige) arbeiders in de informele economie.

Bolivia, een land met prachtige natuur (bergen boven 6000m, jungle, zoutvlakten, meren) en veel culturele diversiteit (31 etniciteiten, veel afstammelingen van de Inca’s), is één van de armste landen van Zuid Amerika met een hele grote informele ecomomie. In Nederland zouden alleen de mensen die ‘zwart’ of illegaal werken bij de informele economie horen, maar in Bolivia hoort ongeveer 65% van de werkende bevolking bij de informele economie. Deze mensen maken niet de beslissing om ‘zwart’ te gaan werken, maar werken in de informele economie omdat het grootste deel van de economie nooit ‘formeel’ is geweest! Ze hebben als voordeel dat ze geen belasting betalen, maar hebben als nadeel dat ze geen vaste contracten hebben, geen vakantiedagen, geen vast salaris, geen verzekering, etc. Ook heeft het merendeel van deze arbeiders wel eens een cursus gevolgd en een vak geleerd in de loop van de jaren, als bouwvakker bijvoorbeeld, maar hebben ze nog nooit een diploma ontvangen.

Nu is de Boliviaanse regering een programma begonnen om deze mensen gratis de kans te geven om hun kennis en vaardigheden te certificeren. Dus er worden voor tientallen beroepen door het hele land evaluatiedagen gehouden waarop wordt getest of ze kennis en vaardigheden bezitten die nodig zijn voor een bepaald beroep, zoals ‘het kunnen metselen van een muur’ voor een bouwvakker bijvoorbeeld. Als ze de test doorstaan krijgen de werkers een officeel certificaat waarop staat dat ze expert zijn in hun beroep. Mijn rol is het onderzoeken hoe dit certificaat mensen helpt in de informele economie. “Wordt hun salaris hoger, wordt hun zelfvertrouwen sterker, en vinden ze makkelijker werk?” zijn vragen die ik probeer te beantwoorden met het onderzoek. Mensen van de Nederlandse ambassade die dit programma sponsoren, en de coordinators van het certificeringsprogramma hebben interesse in de uitkomsten van het onderzoek.

Nederland in Bolivia
Misschien zou je het niet verwachten maar ook in Bolivia hebben onze landgenoten hun sporen achtergelaten. Zo was ik de eerste ochtend in La Paz stomverbaast toen ik recht tegenover de ingang van de flat waarin ik woon ‘la casita del pannekuk’ (pannenkoekenhuis) op de muur geschilderd zag staan, compleet met windmolens en delfts blauw in de ramen. Ik heb er nog niet gegeten maar heb me laten vertellen dat de pannenkoeken erg Nederlands smaken (dat is een compliment denk ik :). Een ander moment van soortgelijke verbazing deed zich voor toen Tim, Maarten (Nederlandse vrienden op bezoek in La Paz) en ik erachter kwamen dat ze warempel negerzoenen verkopen in de straten van La Paz! Wie had dat nou gedacht, onze lekkernijen te koop in het meest afgelegen land van Latijns Amerika. Hier is er overigens geen discussie over de politiek correcte benaming van onze zoetigheid (Buijs-zoenen of negerzoenen?). In Bolivia heten ze ‘besos de negros’ wat letterlijk betekend: ‘zoenen van negers’.

Daarnaast is Nederland natuurlijk goed vertegenwoordigd met de ‘Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden in La Paz, Bolivia’. De afdeling ‘ontwikkelingssamenwerking’ is de belangrijkste tak van deze ambassade. De Nederlandse overheid steunt programma’s op het gebied van onderwijs, ontwikkeling van de Boliviaanse overheid, en duurzame economische ontwikkeling. Tot mijn verassing (ik blijf me verbazen hier :) zijn maar elf van de 31 personeelsleden Nederlands, en is de rest Boliviaans. Om te bezuinigen is het Nederlands ondersteunende personeel vervangen door Bolivianen, maar ook binnen de afdeling ontwikkelingssamenwerking is de helft Boliviaans. Een goede zaak, want wie weet er nu beter wat er met Bolivia moet gebeuren dan de Bolivianen zelf!

Ik blijf nog een paar maanden in Bolivia. De scriptie rond ik voor 1 september af, daarna ga ik nog een maand rondreizen voordat ik begin oktober weer voet zet in NL. Ik hoop dat het jullie allemaal goed gaat, saludos en tot gauw!

donderdag 6 november 2008

Bein’ Brighton

Zoals gewoonlijk begin ik weer met schrijven als ik mij ergens ‘in de verre’ bevind. Vier weken geleden vertrok ik naar het ‘verre’ Verenigd Koninkrijk om daar aan een studie te beginnen.

Na een lange busreis van achttien uur kom aan in Brighton. Tijdens de reis hebben we de pech dat we zes uur! bij het Nauw van Calais moeten wachten voordat we met de bus op de veerpont kunnen rijden. De kapiteins willen in het donker namelijk niet door de ruige storm heen varen. Bij zonsopgang vertrekt de gigantische boot, compleet met restaurants, winkels en speelhallen, richting Dover. De golfslag is enorm. Terwijl het veerpont zich door de golfen beukt kraakt de ijzeren constructie van de grote boot, en waggelen mensen als dronkemannen over de boot in de vroege ochtend. We komen in Dover aan met uitzicht op de bekende witte kalkkliffen. In Dover worden we nog getrakteerd op een grondige controle van alle bagage door douaniers met hun karakteristieke door de ‘Formule-1-finishvlag’ geïnspireerde uniformen. Maar daarna zijn we dan ook écht legaal in Engeland.

Couch surfing
Omdat ik nog geen kamer in Brighton gevonden heb ben ik de eerste dagen te gast ‘by a guy named Charlie’. Toen ik naar Brighton vertok was Charlie voor mij een vreemde. Ik heb contact met hem gelegd via de website couchsurfing.com. Inschrijven op de site betekend dat je een bank (of een bed) in je huis beschikbaar stelt voor andere leden, die via de site een verzoek kunnen doen. Maarten heeft ons studentenhuis in Utrecht ingeschreven op de website, en we hebben inmiddels al wat buitenlandse ‘couchsurfers’ over de vloer gehad. Ik heb ‘a guy named Charlie’ uit Brighton via de website een e-mail geschreven. Hij mailde terug dat ik welkom was. Aangekomen in Brighton haalt Charlie mij van het busstation. Charlie (24) is net afgestudeerd in antropologie en is in Latijns-Amerika geweest, dus we hebben gelijk wat ‘common ground’. Hij woont nu tijdelijk bij zijn moeder voordat hij naar Indonesië vertrekt om daar bij een NGO (ontwikkelingsorganisatie) te gaan werken. Dus eigenlijk ben ik te gast bij zijn moeder! Charlie en zijn moeder leuke mensen en erg gastvrij. Charlie neemt me de volgende avond mee naar een heel vet optreden van ‘Friendly Fires’, een band waar één van zijn vrienden de drummer van is. Volgens Charlie is de rockgroep, die al door heel Europa optreed “the absolute band to watch” voor 2009 (25 november staan ze in Tivoli - Utrecht. Zie de Music Player voor een song).

Ik had Charlie gevraagd of ik twee nachten kon blijven, maar iedere dag vragen ze of ik nog een nacht een blijf. Uiteindelijk blijf ik een week voordat ik naar een hostel ‘verhuis’, omdat ik een week moet wachten op nieuws over een droomkamer. Er is kans dat ik een kamer in een leegstaand klooster kan krijgen, via de organisatie waarmee ik in Brussel in het Ministerie van Financiën woonde. Jammer genoeg hoor ik na een week dat dit feest niet doorgaat. Na nog een week in het hostel vind ik een ‘plek onder de zon’ bij drie andere studenten: Elias een Griekse jongen, Ali uit Pakistan (nee hij is geen...) en de Zweedse Bella. Eén van Bella’s hobby’s is het bakken van taarten. Ze houdt alleen niet van het eten van taart, dat laat ze dus aan ons over. Je kunt je toch geen beter huisgenoot wensen ;) Het is een leuk huis vlakbij een paar traditionele Engelse pubs, het centrum en op vijf minuten fietsen: de Atlantische oceaan! Het grappige is dat ik nu vijf minuten bij Charlie vandaan woon. We hebben nog vaak contact.

I want to ride my bicycle!

Als echte een Hollander is één van de eerste dingen die ik hier gedaan heb is het kopen van een fiets. Ik ben intussen de trotste eigenaar van een klassieke Balmoral-bicycle. Dit schijnt het laatste Engelse fietsenmerk geweest te zijn. Het is waarschijnlijk al een tijdje failliet, omdat de fiets zo’n veertig jaar oud is! Ondanks de leeftijd en de roest is het een prima fietsie waarmee ik helemaal de blits maak in Brighton ;) Omdat ik er zo graag op rijd heb ik het nummer ‘I want to ride my bicycle!’ van de engelse band Queen aan de Music Player toegevoegd.


Development Studies
Tijdens mijn reis naar Zuid-Afrika en India in 2003, waar ik veel armoede en ongelijkheid gezien heb, is mijn interesse in ontwikkelingswerk gewekt. “Wat kan er gedaan worden om het leven van arme en benadeelde mensen te verbeteren?”, is één van de vragen die mij sinds die tijd bezig houd. ‘Ontwikkelingssamenwerking’ is het antwoord van veel Westerse landen op deze vraag. Maar daar beginnen voor mij de vragen pas: “wat houdt ontwikkelingssamenwerking in? Op welke manieren kun je mensen helpen? Welke methoden hebben in het verleden gewerkt, en welke niet?”. Ook heb ik veel kritische materiaal over ontwikkelingswerk gelezen. Hierin wordt ontwikkeling geportretteerd als een middel van het Westen om controle te houden over derde wereld landen. Of als een manier om het Westen te bevrijden van haar schuldgevoel over het kolonialiseren van derde wereld landen (The White Man’s Burden – William Easterly). Ook worden fouten belicht van mensen in de ontwikkelingswereld die ten koste van ‘de armen’ gaan (de rol van de Wereldbank in The Shock Doctrine van Naomi Klein is een vb.)

Om antwoorden op deze vragen en kritieken te vinden voordat ik zelf actief wordt in de ontwikkelingswereld heb ik besloten om Development Studies, oftewel ontwikkelingsstudies te gaan studeren. Omdat ik veel enthousiaste verhalen over deze studie in Brighton heb gehoord, heb ik besloten om hier het eenjarige masterprogramma Development Studies te volgen.

Inmiddels ben ik een maand bezig met de studie aan het Institute of Development Studies (IDS) dat op de campus van de University of Sussex ligt. Het instituut staat in de ontwikkelingswereld bekend om de kwaliteit van haar onderzoek. Het leuke aan het IDS is dat de onderzoekers zich bezig houden met “real world problems”, zoals zij het zelf zeggen. De wetenschap wordt door ongeveer 100 onderzoekers toegepast om informatie te verzamelen over deze problemen en om advies te geven aan mensen in de ontwikkelingswereld, over hoe met deze problemen om te gaan. Het doel van het IDS “is to understand and explain the world, and to try to change it – to influence as well as to inform”, zoals het op de website wordt verwoord.

Interdisciplinariteit, d.w.z het combineren van wetenschappen, is daarbij een belangrijk middel. De wetenschappelijke wereld is verdeeld in verschillende disciplines, zoals natuurkunde, geschiedenis en psychologie. Iedere discipline is weer een wereld op zich, met eigen instituten, methoden, tijdschriften, en zelfs met eigen culturele eigenschappen! De meeste wetenschappers blijven vooral binnen de wereld van hun discipline. Maar het IDS doorziet dat wetenschappen die veel met ontwikkeling te maken hebben (economie, politicologie en antropologie), veel van elkaars inzichten en onderzoeksmethoden kunnen leren. Daarom werken onderzoekers uit verschillende sociale disciplines samen om een groot probleem als ‘armoede’ of ‘klimaatverandering’ te benaderen.

Er zijn dit seizoen ongeveer 100 nieuwe studenten aan één van de acht IDS masterprogramma’s begonnen. Deze groep is ontzettend divers! Er zijn studenten uit meer dan veertig landen, van alle continenten (behalve Australië en Antartica :). Daarnaast is de leeftijd gespreid met twintigers, dertigers en zelfs veertigers. En er zijn veel mensen met jaren werkervaring bij kranten, televisiestations, NGO’s, rechtbanken, de Verenigde Naties, de locale overheid, enz. Het is reuze interessant om met zo’n diverse groep te studeren omdat je veel van elkaars ervaringen en ideeën kunt leren.

De mysterieuze legoman
Nu nog een hele serieuze zaak. Brighton is in rep en roer, omdat er afgelopen weekend iets is aangespoeld op het strand: een legoman. Je kent ze wel, die kleine legopoppetjes waar je altijd mee speelde (of speelt).

Zo’n geel poppetje, maar dan twee meter groot! is op mysterieuze wijze aangespoeld in Brighton, en…er waren nederlandse teksten op geschreven! Nu vermoeden ze dat ‘the mysterious legoman’ helemaal vanuit Nederland hierheen is gedreven. Hier is het artikel. In Brighton vragen we ons af: “Nederland, wat heeft dit te betekenen?”

In de rechterbovenhoek heb ik nog wat nieuwe foto’s geplaatst. Ik ga direct weer aan de studie om alle ‘deadlines’ dit keer te snel af te zijn. Cheers!