donderdag 6 november 2008

Bein’ Brighton

Zoals gewoonlijk begin ik weer met schrijven als ik mij ergens ‘in de verre’ bevind. Vier weken geleden vertrok ik naar het ‘verre’ Verenigd Koninkrijk om daar aan een studie te beginnen.

Na een lange busreis van achttien uur kom aan in Brighton. Tijdens de reis hebben we de pech dat we zes uur! bij het Nauw van Calais moeten wachten voordat we met de bus op de veerpont kunnen rijden. De kapiteins willen in het donker namelijk niet door de ruige storm heen varen. Bij zonsopgang vertrekt de gigantische boot, compleet met restaurants, winkels en speelhallen, richting Dover. De golfslag is enorm. Terwijl het veerpont zich door de golfen beukt kraakt de ijzeren constructie van de grote boot, en waggelen mensen als dronkemannen over de boot in de vroege ochtend. We komen in Dover aan met uitzicht op de bekende witte kalkkliffen. In Dover worden we nog getrakteerd op een grondige controle van alle bagage door douaniers met hun karakteristieke door de ‘Formule-1-finishvlag’ geïnspireerde uniformen. Maar daarna zijn we dan ook écht legaal in Engeland.

Couch surfing
Omdat ik nog geen kamer in Brighton gevonden heb ben ik de eerste dagen te gast ‘by a guy named Charlie’. Toen ik naar Brighton vertok was Charlie voor mij een vreemde. Ik heb contact met hem gelegd via de website couchsurfing.com. Inschrijven op de site betekend dat je een bank (of een bed) in je huis beschikbaar stelt voor andere leden, die via de site een verzoek kunnen doen. Maarten heeft ons studentenhuis in Utrecht ingeschreven op de website, en we hebben inmiddels al wat buitenlandse ‘couchsurfers’ over de vloer gehad. Ik heb ‘a guy named Charlie’ uit Brighton via de website een e-mail geschreven. Hij mailde terug dat ik welkom was. Aangekomen in Brighton haalt Charlie mij van het busstation. Charlie (24) is net afgestudeerd in antropologie en is in Latijns-Amerika geweest, dus we hebben gelijk wat ‘common ground’. Hij woont nu tijdelijk bij zijn moeder voordat hij naar Indonesië vertrekt om daar bij een NGO (ontwikkelingsorganisatie) te gaan werken. Dus eigenlijk ben ik te gast bij zijn moeder! Charlie en zijn moeder leuke mensen en erg gastvrij. Charlie neemt me de volgende avond mee naar een heel vet optreden van ‘Friendly Fires’, een band waar één van zijn vrienden de drummer van is. Volgens Charlie is de rockgroep, die al door heel Europa optreed “the absolute band to watch” voor 2009 (25 november staan ze in Tivoli - Utrecht. Zie de Music Player voor een song).

Ik had Charlie gevraagd of ik twee nachten kon blijven, maar iedere dag vragen ze of ik nog een nacht een blijf. Uiteindelijk blijf ik een week voordat ik naar een hostel ‘verhuis’, omdat ik een week moet wachten op nieuws over een droomkamer. Er is kans dat ik een kamer in een leegstaand klooster kan krijgen, via de organisatie waarmee ik in Brussel in het Ministerie van Financiën woonde. Jammer genoeg hoor ik na een week dat dit feest niet doorgaat. Na nog een week in het hostel vind ik een ‘plek onder de zon’ bij drie andere studenten: Elias een Griekse jongen, Ali uit Pakistan (nee hij is geen...) en de Zweedse Bella. Eén van Bella’s hobby’s is het bakken van taarten. Ze houdt alleen niet van het eten van taart, dat laat ze dus aan ons over. Je kunt je toch geen beter huisgenoot wensen ;) Het is een leuk huis vlakbij een paar traditionele Engelse pubs, het centrum en op vijf minuten fietsen: de Atlantische oceaan! Het grappige is dat ik nu vijf minuten bij Charlie vandaan woon. We hebben nog vaak contact.

I want to ride my bicycle!

Als echte een Hollander is één van de eerste dingen die ik hier gedaan heb is het kopen van een fiets. Ik ben intussen de trotste eigenaar van een klassieke Balmoral-bicycle. Dit schijnt het laatste Engelse fietsenmerk geweest te zijn. Het is waarschijnlijk al een tijdje failliet, omdat de fiets zo’n veertig jaar oud is! Ondanks de leeftijd en de roest is het een prima fietsie waarmee ik helemaal de blits maak in Brighton ;) Omdat ik er zo graag op rijd heb ik het nummer ‘I want to ride my bicycle!’ van de engelse band Queen aan de Music Player toegevoegd.


Development Studies
Tijdens mijn reis naar Zuid-Afrika en India in 2003, waar ik veel armoede en ongelijkheid gezien heb, is mijn interesse in ontwikkelingswerk gewekt. “Wat kan er gedaan worden om het leven van arme en benadeelde mensen te verbeteren?”, is één van de vragen die mij sinds die tijd bezig houd. ‘Ontwikkelingssamenwerking’ is het antwoord van veel Westerse landen op deze vraag. Maar daar beginnen voor mij de vragen pas: “wat houdt ontwikkelingssamenwerking in? Op welke manieren kun je mensen helpen? Welke methoden hebben in het verleden gewerkt, en welke niet?”. Ook heb ik veel kritische materiaal over ontwikkelingswerk gelezen. Hierin wordt ontwikkeling geportretteerd als een middel van het Westen om controle te houden over derde wereld landen. Of als een manier om het Westen te bevrijden van haar schuldgevoel over het kolonialiseren van derde wereld landen (The White Man’s Burden – William Easterly). Ook worden fouten belicht van mensen in de ontwikkelingswereld die ten koste van ‘de armen’ gaan (de rol van de Wereldbank in The Shock Doctrine van Naomi Klein is een vb.)

Om antwoorden op deze vragen en kritieken te vinden voordat ik zelf actief wordt in de ontwikkelingswereld heb ik besloten om Development Studies, oftewel ontwikkelingsstudies te gaan studeren. Omdat ik veel enthousiaste verhalen over deze studie in Brighton heb gehoord, heb ik besloten om hier het eenjarige masterprogramma Development Studies te volgen.

Inmiddels ben ik een maand bezig met de studie aan het Institute of Development Studies (IDS) dat op de campus van de University of Sussex ligt. Het instituut staat in de ontwikkelingswereld bekend om de kwaliteit van haar onderzoek. Het leuke aan het IDS is dat de onderzoekers zich bezig houden met “real world problems”, zoals zij het zelf zeggen. De wetenschap wordt door ongeveer 100 onderzoekers toegepast om informatie te verzamelen over deze problemen en om advies te geven aan mensen in de ontwikkelingswereld, over hoe met deze problemen om te gaan. Het doel van het IDS “is to understand and explain the world, and to try to change it – to influence as well as to inform”, zoals het op de website wordt verwoord.

Interdisciplinariteit, d.w.z het combineren van wetenschappen, is daarbij een belangrijk middel. De wetenschappelijke wereld is verdeeld in verschillende disciplines, zoals natuurkunde, geschiedenis en psychologie. Iedere discipline is weer een wereld op zich, met eigen instituten, methoden, tijdschriften, en zelfs met eigen culturele eigenschappen! De meeste wetenschappers blijven vooral binnen de wereld van hun discipline. Maar het IDS doorziet dat wetenschappen die veel met ontwikkeling te maken hebben (economie, politicologie en antropologie), veel van elkaars inzichten en onderzoeksmethoden kunnen leren. Daarom werken onderzoekers uit verschillende sociale disciplines samen om een groot probleem als ‘armoede’ of ‘klimaatverandering’ te benaderen.

Er zijn dit seizoen ongeveer 100 nieuwe studenten aan één van de acht IDS masterprogramma’s begonnen. Deze groep is ontzettend divers! Er zijn studenten uit meer dan veertig landen, van alle continenten (behalve Australië en Antartica :). Daarnaast is de leeftijd gespreid met twintigers, dertigers en zelfs veertigers. En er zijn veel mensen met jaren werkervaring bij kranten, televisiestations, NGO’s, rechtbanken, de Verenigde Naties, de locale overheid, enz. Het is reuze interessant om met zo’n diverse groep te studeren omdat je veel van elkaars ervaringen en ideeën kunt leren.

De mysterieuze legoman
Nu nog een hele serieuze zaak. Brighton is in rep en roer, omdat er afgelopen weekend iets is aangespoeld op het strand: een legoman. Je kent ze wel, die kleine legopoppetjes waar je altijd mee speelde (of speelt).

Zo’n geel poppetje, maar dan twee meter groot! is op mysterieuze wijze aangespoeld in Brighton, en…er waren nederlandse teksten op geschreven! Nu vermoeden ze dat ‘the mysterious legoman’ helemaal vanuit Nederland hierheen is gedreven. Hier is het artikel. In Brighton vragen we ons af: “Nederland, wat heeft dit te betekenen?”

In de rechterbovenhoek heb ik nog wat nieuwe foto’s geplaatst. Ik ga direct weer aan de studie om alle ‘deadlines’ dit keer te snel af te zijn. Cheers!

maandag 14 april 2008

No Problem in Jamaica Maaan!

Het zit er bijna op... volgende week donderdagochtend sta ik alweer met beide benen in de Haarlemmermeerpolder. De tijd gaat snel, heel snel. Ik ben net een week terug van een vijfdaagse reis naar Jamaica. Ik moest Cuba voor een paar dagen verlaten omdat ik een visum voor maximaal zestig dagen kon krijgen. Dus vertrok ik, zonder klagen natuurlijk, voor enkele dagen naar de zuiderbuur: Jamaica (zie foto's rechtsboven).

Jaaamaaan
Het vrolijk geschilderde vliegstoestel van Air Jamaica geeft me het gevoel alsof ik naar een pretland vlieg. In Kingston (hoofdstad) aangekomen, vraag ik aan een Jamaicaan of ik eten kan halen op het vliegveld: “jaaamaaan, you can gut foet hie”, zegt hij in een superkomisch accent in het Engels (Jamaica was een Engelse kolonie). Ik begin te lachen omdat ik niet weet of hij écht zo praat, of dat hij een geintje maakt, maar al gauw blijkt dat iedereen dit komische accent ‘aanhangt’.

Het taaltje en de mensen ademen relaxedheid. Alles gaat op zijn dooie gemakje en de mensen zijn erg vriendelijk. De woorden ‘stress’, ‘hurry’ of ‘worry’ lijken niet in het Jamaicaanse vocabulaire voor te komen. Twee voorbeelden van Jamaicaanse relaxedheid:

Ik loop een elektronica zaak binnen om een kabel voor een fotocamera te kopen (mijn Cubaanse vrienden hebben me een lijst meegegeven met spullen die ik voor ze moet kopen). Het personeel begint wat geintjes over mijn gigantische backpack te maken: “ben je net uit het vliegtuig gesprongen?, “mag ik de parachute zien?”. Ze vragen me of ik weet hoe ze dansen in Jamaica. Ik: “nee, maar ik wil het wel eens zien”, waarop een jongen een cd-tje opzet in één van de stereotorens in de etalage, en de winkel is getransformeerd tot een dansvloer. Het personeel laat me wat ‘state of the art’ danspasjes zien.

Twee dagen later loop ik in een rustige straat in een buitenwijk in Kingston. Plotseling begint het te regenen. Er is nergens plaats om te schuilen, dus ik loop door. Een auto stopt voor een huis. De bestuurder wacht in de auto totdat de regen over is. Terwijl ik langs de auto loop, opent de man het portier, geeft me een paraplu, en zegt: “ik woon hier, breng het maar langs wanneer je terug komt”. Hij vraagt me geen naam, onderpand, óf ik überhaupt terug kom, wanneer ik dan terugkom. Nee, dat is alles.

No worries?
De mensen mogen dan wel zo onbezorgd over komen, het kan niet anders zijn dan dat ze zorgen hebben. In tegenstelling tot Cuba, waar iedereen arm is, maar waar wel iedereen een fatsoenlijk huis, eten en medische zorg heeft, is er grote ongelijkheid in Jamaica. In ‘Uptown Kingston’ waan je je in een goede Amerikaanse buurt met vrijstaande huizen en bij iedereen een nieuwe auto voor de deur. ‘Downtown Kingston’ is het best te vergelijken met een arme ‘zwarte stad’ in Zuid-Afrika (het deed me erg denken aan Umtata, voor de ZA-gangers), met verpauperde huizen, veel handel op straat en veel geweld. Per dag worden er gemiddeld vijf moorden gepleegd in Jamaica. Dit is best veel voor een bevolking van drie miljoen. Bijna alle geweld komt in de uithoeken van Downtown Kingston voor, waar drugsbaronnen regeren en de politie niet veel te zeggen heeft. Kingston staat bekend om geweld, en dat is de reden dat veel toeristen Kingston links laten liggen, en naar andere plaatsten op het tropische eiland trekken (ik heb geen nare ervaring gehad).

Dutty Friday
Vrijdag vraag ik rond of er s’avonds wat te doen is. “Jaaamaaan, it’s Dutty Friday!” Jamaica is beroemd om zijn ‘streetdances’. Deze avond wordt er één georganiseerd en ik besluit dat ik zo’n ‘Dutty Friday’ toch minstens één keer moet meemaken. Samen met Micheal, een Jamaicaan uit het hotel, ga ik op stap. We hebben ons laten vertellen dat de ‘dance’ laat begint dus we vertrekken één uur s’avonds (pas drie uur s’nachts begon het druk te worden). De ‘dance’ vindt plaats op een grote kruising. Aan drie kanten staan er stapels speakers van vijf meter hoog. De DJ speelt voornamelijk reggae en ska. De Jamaicanen zijn heel cool gekleed, en dansen een grappige combinatie van hip-hop en Afrikaanse stijl, die ik nog nooit eerder gezien heb. Na een tijdje houden we het voor gezien op mijn eerste ‘Dutty Friday’…

The King of Reggae
De bekendste Jamaicaan is ongetwijfeld Bob Marley. Zijn museum is ‘just down the road’. Samen met een Duitse groep toeristen krijg ik een rondleiding door het tot museum omgebouwde huis van (Nesta) Bob. De gids laat ons de repetitie ruimte zien die met kogelgaten gevuld is. In de jaren zeventig werd Marley terwijl hij aan het repeteren was beschoten door aanhangers van één van de twee politieke partijen van Jamaica. Marley werd in zijn elleboog geraakt. Volgens een vriendin was het beter om de kogel te laten zitten anders kon hij zijn elleboog niet meer bewegen, en geen gitaar meer spelen voor het grote Jamaicaanse ‘unity concert’ dat twee dagen later gepland stond. Marley speelde het concert dus maar mét kogel in zijn elleboog.

Vlak naast zijn moestuin, met natuurlijk een paar plantjes marihuana, staat een standbeeld van Marley met zijn grootste inspirators op het voetstuk geschilderd: aan de voorkant zijn vrouw en twee vriendinnen, en aan de linkerkant koning Haile Gebresalassie uit Ethiopië. “Haile wie?” Zoals de meeste mensen wel weten was Marley een Rastafarian, herkenbaar door de lange rasta lokken. Rastafarians geloven dat koning Haile Gebresalassie uit Ethiopië (stierf in jaren tachtig geloof ik) de ‘Lion of Zion’, oftewel de beloofde Messias is. Via koningin Sheba en koning Salamo stamt Selassie van het ‘Huis van David’ af. Zelf ontkende Haile dat hij de Messias was.

Ik houd het bij de relaxte tunes en de luchtige teksten van de King of Reggae:

Sayin' One Love, One Heart
Let's get together and feel all right
I'm pleading to mankind (One Love)
Oh Lord (One Heart)

Give thanks and praise to the Lord and I will feel all right
Let's get together and feel all right


De vuelta en Cuba
Nu weer Cuba. Deze laatste weken zijn de belangrijkste weken voor mijn onderzoek naar de invloed van de ‘twee valuta’s’ in het leven van de Cubanen. Mijn Spaans is nu op een redelijk niveau en ik nu heb ik een netwerk van vrienden en kennissen die mij aan informanten kunnen helpen. Dus ik ben een drukke antropoloog op het moment. Ik heb veel afspraken met academici en ben veel interviews aan het en afnemen, en daarna analyseren, met mensen die interessant zijn voor mijn onderzoek. Nog even aanpoten dus… Saludos!

maandag 24 maart 2008

Belleza y hospitalidad en Piñar

Sinds zeven weken woon ik nu in Havana. Na zoveel weken in de mooie stad, maar met veel lawaai en heel veel mensen, moet voor een paar dagen de rust gezocht worden. Het is tijd om ‘la Habana’ te verlaten voor een trip naar de provincie Piñar del Rio. Als ik met een Tsjechische vriend op het punt sta om de stad te verlaten wordt ik zoals alle buitenlanders in Cuba, overvallen door maagproblemen. Nadat ik een paar dagen binnen een straal van tien meter rond het toilet heb doorgebracht, neemt mijn stoelgang weer bekende vormen aan, en ben ik er klaar voor. Ik vertrek alleen (de Tsjech is al weg) naar Viñales, een stadje ten westen van Havana.

Valle de Viñales
Als ik in Viñales uit de bus stap word ik als een popster onthaald door zo’n twintig vrouwelijke fans die mij allemaal in huis willen hebben. Helaas blijken het vrouwen te zijn die kamers in hun huizen verhuren, en staan ze er niet speciaal voor mij. Maar dan, wat een toeval! Angela, een Duitse vriendin uit Havana loopt iets verderop over straat. Ze is bezig met een tweeweekse fietstocht door Cuba en is net vandaag ook in Viñales. Na een avondje hangen in een salsa café is het s’ochtends tijd om de beroemde vallei te bekennen (Angela fietst weer verder). In de vallei staan zogenaamde ‘Mogotes’. Een grote rivier heeft het zachte kalksteen uit de vallei weggesleten, en er zijn vingerhoedachtige bergen, oftewel ‘Mogotes’ in de vallei achtergebleven.

Er wordt veel tabak verbouwd, waarvan befaamde Cubaanse sigaren zoals Cohiba’s en Montecristo’s gemaakt worden. Een boer geeft me een rondleiding over zijn boerderij. Rond maart is het oogsttijd. De grote bladeren van de tabaksplant worden afgesneden, aan elkaar geregen en voor vijftig dagen in een houten schuur opgehangen. Daarna gisten de bladeren, krijgen ze nog diverse behandelingen en worden ze naar de fabriek gestuurd waar er wereldklassigaren van gerold worden. Een sigaar heet ‘tabacco’ of ‘habano’, in Cuba. Ik loop verder door de velden en een vriendelijke boerin nodigt me uit om haar ‘guarapo’ te proeven. Met een molen perst ze suikerrietstengels uit. Ze mixed het sap uit het suikerriet met rum en limoen, en het resultaat is een onweerstaanbaar drankje: ‘guarapo’. Ze laat me nog wat lokale lekkernijen keuren, en laat me daarna nog één van de grotten in een ‘Mogote’ zien.

In totaal heb ik zo’n drie dagen de tijd om mijn reisdoel te bereiken. In de Loneley Planet heb ik foto’s gezien van een wonderschoon strand in het uiterste westen van Cuba op het schiereiland Guanahacabibes: Playa Maria de la Gorda. Het is dus tijd om de reis te hervatten. In een vorig blogbericht heb ik verteld over de twee valuta’s in Cuba. Omdat reizen met toeristische bussen die je in Peso Convertible betaald, 25 keer zo duur is als ‘normaal transport’, en zo als het een antropoloog betaamd, besluit ik met ‘Cubaanse bussen’ naar Maria de la Gorda te reizen. Nou dat heb ik geweten…

Busbelevenis
Voor tien eurocent worden we (ik ben de enige buitenlander) in een gele veertig jaar oude Amerikaanse schoolbus zonder stoelen geladen (je kent ze wel uit de films). De bus wordt twee keer zo vol als lijnbus 12, van station Utrecht naar de universiteit, gepropt. Ik sta ergens onder de oksels van een lange Cubaan, en tegen de billen van een andere Cubaan aangedrukt, en weet eindelijk wat het woord ‘eenheidsworst’ betekent. Maar het houdt nog niet op. Iedere keer als je denkt dat de bus écht vol is, stopt de bus en stouwen nóg meer mensen zich naar binnen: een tiener, een oude oma, een militair, en een moeder met een vier maanden oude baby. Daartussen weet zich ook nog een verkoper te verplaatsten om zijn kauwgom en lolly’s aan de man te brengen. Op een gegeven moment begint het hard te regenen en staat ‘de worst’ voor een dilemma: óf de mensen bij de open ramen worden kleddernat, óf de ramen gaan dicht met een ‘benauwde situatie’ als gevolg. Er wordt voor de gulden middenweg gekozen: de ramen worden iedere minuut even open gedaan om frisse lucht binnen te laten komen. Hoewel de tocht niet bepaald een pretje is zie je dat niet goed terug in de Cubaanse gezichten. Natuurlijk hoor je wat gezucht, maar ze lijken blij te zijn een ritje te hebben en leggen zich bij de situatie neer. Na anderhalf uur bereik ik Isabel Rubio, een stadje op doorreis.

Na een kwartier wachten gebeurt het volgende: een hypermoderne tourbus rijd zich voor (van het ‘schoolreisje’ soort). De halfvolle bus, die evenveel kost als de vorige, is uitgerust met luxe stoelen, airconditioning en muziek. Het contrast kan niet groter zijn! Dit is Cuba…niet alles is even goed geregeld hier. De bussen gaan niet verder dan Mon Lazo, een stadje 50 km. voor Maria de la Gorda. Dus ik ben op ‘boteille’ (liften) aangewezen. Ik heb geluk: na een half uur wachten komt er een jeep voorbij. Samen met een paar andere liftende Cubanen rijden we naar het volgende stadje. Maar plots stopt de jeep, en de chaffeur zegt: “ik ga niet verder dan dit.” Nou daar sta ik dan samen met een andere jongen in de ‘middle of nowhere’ s’avonds om negen uur in het donker. “In het volgende ‘gat’ is een café waar s’avonds altijd nog auto’s langskomen”, verzekert de jongen.

Na een paar kilometer lopen en na aan de lokale mosquito’s een paar liter bloed gedoneerd te hebben, komen we aan in het gat, een verzameling van zo’n tien huizen. Het is nu na tienen s’avonds en nog steeds geen auto... Sylvio, een langsfietsende jongen probeert te helpen: een oude vrouw heeft een bed over. Maar ze is zo arm dat ze geen eten voor me heeft en daarom wil ze me (uit schaamte?) liever niet in huis hebben. Uiteindelijk zegt hij: “vamos” (kom mee, we gaan). Ik achterop de fiets naar zijn woonplaats: twee flatgebouwen, werkelijk ‘in het midden van niets’. Ik wordt hartelijk door zijn vriendelijke moeder onthaald. Nadat ik goed te eten heb gekregen is het tijd om te gaan slapen. Sylvio’s stiefvader is weg, dus kruipt hij bij zijn moeder in bed zodat ik in zijn bed kan slapen!

Maria de la Gorda
De volgende bereiken Sylvio en ik met een paar lifts, Playa Maria de la Gorda… Het is inderdaad een ‘bella’ playa, met wit zand, palmbomen, helder water met rif en tropische vissen. Na een dagje snorkelen en verbakken (eigenwijs als ik ben heb ik me niet ingesmeerd) liften we terug met een rondreizend echtpaar uit Oostenrijk. Daar staan ze weer: twee flatgebouwen op het platteland. Er wonen ongeveer tweehonderd mensen die zelf ook niet snappen waarom ze híer wonen. Ze grappen dat deze woonplaats een illustratie is van alle Cubaanse problemen tegelijkertijd: armoede, geen transport, slecht onderhouden huizen en altijd problemen met water -en stroomvoorziening. De toiletpot van de familie is gebroken. Maar ze hebben geen geld (50 euro) om de pot te vervangen. Omdat er in deze dagen geen stromend water is, douche ik mij met plastic beker en een teil. De nieuwe zwart-wit televisie in de woonkamer hebben ze pasgeleden na lang sparen voor zo’n 50 euro op de kop kunnen tikken (elektronica is schaars en voor onze begrippen heel erg duur).

‘Amerikaanse’ dromen…
De mensen hier hebben het niet makkelijk, en praten open over hun problemen. Maar toch…wat zijn het leuke mensen. De hele tijd hebben ze een lach op het gezicht, zijn ze aan het grappen en grollen, hebben ze een positieve instelling, en hebben ze veel contact met elkaar. De sociale cohesie is enorm, om een wetenschappelijke vakterm te gebruiken. Dit is iets wat ík observeer. Zij zien andere dingen voor zich: ze hebben dromen waarin ze een betere toekomst zien. Maar niet in Cuba en met deze regering. Ze dromen ‘Amerikaans’. De engelse taalcursussen in de buurt, floreren. En het schijnt dat er vorig jaar rond de 2.000 mensen! uit de regio naar de noorderbuur zijn vertrokken. Voor een gigantisch geldbedrag (in Cubaanse begrippen) is het mogelijk om per bootje via Mexico illegaal de overtocht te maken. In tegenstelling tot economische vluchtelingen, uit Mexico bijvoorbeeld, krijgen Cubanen die in Amerika aankomen direct een verblijfsvergunning en recht op werk.

Met deze strategie, gecombineerd met een vijftig jaar durende economische boycot, probeert de V.S. Cuba te verzwakken zodat de regering ten val komt en er een nieuwe democratische regering geïnstalleerd kan worden. Dat is ze nog niet gelukt, en zal waarschijnlijk ook niet lukken nu Cuba in het Venezuela van Hugo Chavez een nieuwe suikeroom heeft gevonden. Het is de Amerikanen wel gelukt om tienduizenden, misschien wel honderdduizenden Cubanen te doen verlangen naar een nieuw leven in het ‘land van je dromen’, weliswaar na een levensgevaarlijke overtocht. Na mijn afgeslagen aanbod om een deel van het geld voor een nieuwe toiletpot te betalen, “we vinden vriendschap en gastvrijheid belangrijker dan geld”, zeg ik de gastvrije familie gedag.

De laatste paar uur van de trip rijd ik met een oude Russische Lada-taxi. Onderweg krijgen we een grote tropische regenbui over ons heen. De snelweg wordt overspoelt met water en het zicht is slecht, en helemaal omdat de ruitenwisser het niet doet. De chauffeur lijkt zich daar niets van aan te trekken en jakkert met dezelfde snelheid door. Pas als ik zeg: “suave amigo” (rustig aan vriend), mindert hij vaart. Ook gedraagt hij zich opvallend onrustig als er politie langs de kant van de weg staat. Als we in Havana zijn aangekomen en de auto tot stilstand is gekomen zegt hij: “weet je waarom ik uitkeek voor politiecontroles onderweg?”. “Nee”, antwoord ik. “Nou…ehh omdat ik geen rijbewijs heb”, zegt de man. “ Ik stap zo snel mogelijk uit de auto, en dank God dat ik weer heelhuids terug ben in Havana…

Business as usual
Nu ben ik weer bezig met het onderzoek. Mijn netwerk groeit en ik verzamel steeds meer informatie. Ik heb intussen contact met een Cubaanse econoom, sociologe en antropoloog. Daarnaast heb ik veel contacten met de ‘normale mensen’ waar het bij een antropoloog toch vooral om draait. Het is niet altijd even makkelijk. Ik ben geïnteresseerd in de invloed van het niet officiële inkomen van de Habaneros, zoals fooien, zwart werk, verkopen van gestolen goederen (zoals sigaren), en overschrijvingen van familie uit het buitenland Vaak weten familieleden niet eens van elkaar hoeveel ze verdienen, laat staan dat ze dat aan mij, een blonde buitenlander vertellen. Toch kom ik door observatie en vertrouwelijke gesprekken redelijk veel te weten over mijn onderzoeksonderwerp.

Omdat mijn visa voor twee maanden geldig is moet ik noodgedwongen het land even verlaten om een paar dagen later weer terug te komen. Begin maart vertrek ik dus naar het eiland waar “the sun is shiiiining, and the wheater is sweeeet…”: Jamaica. Daarna blijf ik nog drie weken in Cuba tot het einde van april.

Rechtsbovenaan in de blog heb ik een nieuw fotoalbum geplaatst. En bedankt voor jullie reacties en persoonlijke e-mails. Adios!

dinsdag 26 februari 2008

Is er leven na Fidel?

Na maar liefts 49 jaar! is Fidel Castro president af. Vorige week dinsdag verscheen er op de voorpagina van de belangrijkste krant van het land, de Granma, een levensgroot artikel, Mensaje del Comandante en Jefe (Bericht van de opperbevelhebber):

Beste landgenoten:

Vorige week vrijdag 15 februari beloofde ik dat de volgende reflectie een interessant onderwerp voor veel landgenoten aansnijd. (...) Voor de Raad van Bestuur [de regering] is het moment gekomen om haar president, vice-presidenten en voorzitter te kiezen en te benoemen. (...)
Gezien mijn kritieke gezondheidssituatie, dachten veel mensen in het buitenland dat de aankondiging van 31 juli 2006, om de functie van president in de handen te leggen van de Eerste Vicepresident Raúl Castro Ruz (jongere broer van Fidel) definitief was. Maar Raúl (...), en de andere kameraden van de Staats Partij, waren niet bereid om te overwegen om mij van mijn functie te ontheven, gezien mijn zorgelijke gezondheidssituatie.
Het was moeilijk in mijn positie, met een tegenstander die al het denkbare heeft gedaan om zich van mij te ontdoen, en daarom wilde ik hun niet een genoegen doen. [door af te treden] [In Cuba is er een boek waarin meer dan 600 aanslagen! van de CIA op Fidel beschreven worden] (...)
Het is altijd mijn verlangen geweest om te doen wat er gedaan moest worden tot aan mijn laatste adem. Dit is wat ik te bieden heb.
Aan mijn dierbare landgenoten die mij grote eer hebben bewezen door me recentelijk te verkiezen als lid van het Parlement, en aan hen die belangrijke beslissingen moeten nemen voor het lot van onze Revolutie, aan hen deel ik mee dat ik de functie van president van de Raad van Bestuur en opperbevelhebber niet ambieer of zal accepteren - ik herhaal - niet ambieer of zal accepteren. (...)
Ik zal jullie niet verlaten. Ik verlang nu alleen om te strijden als een soldaat van de ideeën.
Ik zal blijven schrijven onder de titel “Reflecties van dierbare vriend Fidel”. Het zal nog een wapen in het arsenaal zijn waar men op kan rekenen. Misschien zal hij [president Bush?] naar mijn stem luisteren. Wees voorzichtig.

Bedankt,

Fidel Castro Ruz

BENG!!!! Het bericht komt misschien niet helemaal onverwacht, maar toch het slaat in als een bom. De reacties in Havana zijn gemengd. Oma (in het huis waar ik woon) is droevig dat Fidel na zoveel jaren en zoveel goeds afscheid neemt. Opa vindt het ook jammer. Volgens hem is Fidel een buitengewone man, en heeft hij geweldige dingen gedaan voor Cuba, zoals gratis onderwijs en medische voorzieningen voor alle mensen toegankelijk gemaakt, en dat terwijl Amerika het Cuba niet gemakkelijk heeft gemaakt. Mijn Spaanse lerares bekijkt de zaak nuchter: “Fidel is ziek en is daarom niet in staat zijn functie goed uit te oefenen. Cuba heeft een leider nodig die actief aanwezig is, zoals Fidel vroeger was. Als er een ramp of een groot ongeluk was, was Fidel er direct bij om alles te regelen. Daarom is het tijd dat er een nieuwe president komt, en bij voorkeur een jonge president, zodat Fidel en Raúl de nieuwe president kunnen inwerken.” Volgens mijn lerares is dit de mening van de meeste mensen op de universiteit van Havana, waar ze werkt. Op straat is meer politie aanwezig dan normaal, en er staan ook militairen op sommige straathoeken. Ze kijken verveeld, want het is rustig op straat, net een gewone dag. President Bush houdt direct een toespraak waarin hij zegt dat het nu tijd is voor democratische verandering in Cuba. Maar in Cuba lijken maar weinig mensen daarin geïnteresseerd te zijn.

Historia
Maar voor de mensen die denken: “Fidel Castro…een mooie naam die ik eerder gehoord heb. Maar wie is hij eigenlijk? En hoe is hij president geworden in Cuba?” Een korte geschiedenis…

In de eerste helft van de twintigste eeuw wisselen veel zwakke, corrupte en van Amerika afhankelijke regeringen zich af. In 1952 pleegt Fulgencio Batista een staatsgreep. Al snel blijkt ook hij een corrupte dictator te zijn die uit is op macht en geld. Omdat Batista het volk onderdrukt komen er mensen in opstand. Zo verzamelt Fidel Castro (1925), advocaat van beroep en een charismatische man, 119 man en pleegt een aanslag op een legerbasis in Santiago de Cuba. De aanslag mislukt, en 55 van de mannen worden gevangen genomen, gemarteld en geëxecuteerd. Castro wordt later gevangen genomen en in de gevangenis gezet.

In 1955 wordt Castro vrijgelaten, en hij vertrekt een paar maanden later naar Mexico. Daar traint hij een revolutionaire krijgsmacht van 81 man en vaart met de Granma (hier is de krant naar vernoemt), een cruiseschip naar Cuba in december 1956. Ze worden al snel ontdekt door Batista’s leger, maar Fidel ontsnapt met 11 anderen, inclusief Ernesto ‘Che’ Guevarra naar de bergen. Castro’s ‘26 juli beweging’ (M-26-7) groeit tot driehonderd man. Vanuit de bergen beginnen ze in 1958 uit te zenden met Radio Rebelde, een illegale radiozender. In mei van dat jaar stuurt Batista 10.000 soldaten om de 300 guerrilla’s te liquideren. Maar de rebellen houden stand, en weten veel wapens te stelen. Langzaam veroveren ze steeds meer steden in Cuba en uiteindelijk geven Batista’s troepen zich over. Batista zelf, vlucht op 1 januari 1959 naar de Dominicaanse Republiek, en neemt nog even 35 miljoen euro uit de staatskas mee.

Fidel Castro wordt de minister president van Cuba en begint direct met hervormingen. Zo nationaliseert hij grote bedrijven zoals Texaco, Shell en banken. Hiermee jaagt hij Amerika tegen zich in het harnas. In 1961 breekt Amerika alle diplomatieke relaties met Cuba af. Op 15 april vallen 1.400 door de CIA getrainde Cubaanse emigranten Cuba in bij ‘The Bay of Pigs’, maar de aanval wordt afgewimpeld. Na dit verlies boycot Amerika alle handel met Cuba. Tegelijkertijd wordt de relatie met de Sovjet Unie steeds beter (het is de Koude Oorlog).

In 1962 installeert Sovjet president Krushchev raketten in Cuba met toestemming van Castro. Amerika kan dit niet echt waarderen en er ontstaat een grote crisis: ‘The Cuban Missile Crisis’. Nadat president Kennedy heeft verzekerd dat Cuba niet zal worden aangevallen, geeft Krushchev het bevel om de raketten te verwijderen. Maar Castro word hier niet over geraadpleegd of geïnformeerd. De wereld is niet eerder zo dicht bij een nucleaire oorlog geweest. Sindsdien is Fidel Castro president van Cuba geweest, tot afgelopen zondag dus…

Nuevo Presidente
Het is een interessante tijd in Cuba. Afgelopen zondag werd Raúl Castro, Fidel’s vijf jaar jongere broer als nieuwe president van Cuba gekozen. Er lijkt dus voorlopig niet veel te gaan veranderen in Cuba. Amerika zal waarschijnlijk haar economische boycot handhaven en in Cuba blijft de Communistische Partij de touwtjes stevig in handen houden. Op straat is het rustig zondag op een klein opstootje met de politie na, in het centrum van Havana. Ik vraag aan een meisje wat er aan de hand is. “Un contra-revolucionario” (iemand die tegen ‘de revolutie’ is), antwoord ze kort terug. Ik weet niet wat er verder gebeurt is.

Investigación
Hoewel cubaanse politieke business heel interessant is ben ik hiervoor natuurlijk niet naar Cuba gekomen. Ik ben hier om onderzoek te doen, om daarover mijn thesis te schrijven. Eén van de eerste dingen die opvallen als je in Cuba binnenkomt is dat ze twee officiële valuta’s hebben: De Peso Convertible (CUC) en de Peso Cubano. Stel je dat voor alsof wij in Nederland alles in guldens én in euro’s kunnen kopen.

Na de val van Sovjet Unie in 1991, komt Cuba in een grote economische crisis terecht. De waarde van de Peso Cubano keldert naar beneden, en de Cubanen kunnen bijna niets meer kopen met deze munt. Voor buitenlandse toeristen en bedrijven is dit een goede zaak, want alles in Cuba is spotgoedkoop geworden. Maar de Cubaanse regering heeft hard geld nodig en bedenkt een plan: laten we voor buitenlandse toeristen en bedrijven onze producten verkopen in een nieuwe munt die even veel waard is als de Amerikaanse dollar, dan verdienen we veel meer. En zo is in 1994 de CUC geboren.

Nu is er dus de vreemde situatie dat er twee soorten geld zijn met een verschil van 25:1. In het vorige bericht vertelde ik dat iedereen in Cuba voor de regering werkt en ongeveer hetzelfde verdient, zo’n 10 euro per maand. En dan maakt niet uit of je schoonmaker bent, in de sigarenfabriek werkt of minister bent. Ze verdienen allemaal hetzelfde, behalve… behalve als je met toeristen werkt. Toeristen betalen alles in CUC en betalen dus bijna 25 keer zoveel. Nu ben je een corrupte taxi chauffeur (die zijn er veel hier) en je laat toeristen ‘a special price for you’ betalen, buiten het regeringstarief om. Met twee ritjes verdien je wat andere Cubanen in een maand verdienen. Er valt dus eindelijk geld te verdienen in Cuba! Veel Cubanen geven hun baan op om met toeristen te werken. Ik hoor van mijn Spaanse lerares dat een vriendin van haar ‘deuropener’ in een hotel is geworden en haar baan als arts opgegeven heeft

Ik ben nu bezig om te onderzoeken wat de invloed van die nieuwe munt is op het dagelijkse leven van Cubanen. Verdelen de mensen die veel verdienen het geld met hun familie en vrienden, of houden ze het voor zichzelf? Raken de mensen die weinig verdienen hun motivatie kwijt omdat ze met hard werken veel minder verdienen dan ‘deuropeners’? Ontstaan er in de Cubaanse samenleving waar iedereen gelijk is qua inkomen een nieuwe groep van mensen die veel verdienen? Dit zijn vragen die ik wil beantwoorden met mijn onderzoek hier in Havana.

Later meer… Het is gelukt een paar foto's op het internet te proppen, kijk daarvoor rechts bovenaan de pagina. Hasta luego!

maandag 11 februari 2008

Soy Cuba

Meer dan een week geleden vertrok ik uit Amsterdam met ‘Martin in de Lucht’ naar Havana in Cuba. Sindsdien heb ik veel meegemaakt, maar eerst even een korte update voor de mensen die denken: “wat scheelt er toch aan ons moederland dat Pieter het weer eens verlaten heeft…?”

In de laatste fase van de driejarige studie Culturele Antropologie is het de bedoeling dat je drie maanden lang daadwérkelijk de antropoloog gaat uithangen. Dus alle derdejaars zijn naar een ander land vertrokken om daar onderzoek te doen naar een aspect van een andere cultuur. Dit kunnen hele uiteenlopende onderwerpen en verschillende plaatsen zijn. Een studiegenoot doet bijvoorbeeld onderzoek naar het schoonheidsideaal van vrouwen in Uganda, een ander doet het over de oorzaken dat jongeren in youth gangs terecht komen in Guatemala, en weer een ander doet het over de manier waarop Guatemalteken omgaan met terminale patiënten. Na drie maanden Nederland pak in mijn tas dus maar weer een keer om onderzoek te doen (vertel later meer over het onderwerp) in een ander land. Dit keer naar het land van de sigaren, klassieke Amerikaanse auto’s, rum en salsa …

Llego
Twee donderdagen geleden kom ik s’avonds na een tien urige vlucht aan op het vliegveld van de Cubaanse hoofdstad Havana. Omdat ik het in de weken voor vertrek druk had, met studie en werk o.a., moet ik nog een slaapplaats regelen. Gelukkig bied the LP (Loneley Planet, bijbel onder de reizigers) uitkomst. Er staan veel telefoon nummers in van zogenaamde ‘Casas Particulares’. Als mensen 200 euro per maand aan de regering betalen mogen ze slaapkamers verhuren aan toeristen. Leuk voor toeristen omdat je bij Cubanen een kijkje in de keuken kunt nemen. Maar ik moet nog wel bellen of er ergens plaats is. Nu heb ik een cursus Spaans gedaan, heb ik gereisd in Latijns-Amerikaanse landen en kan ik me dus redelijk redden in het Spaans, maar bellen is toch wat anders.

Zo klonk het gesprek met de Casa Particular: een onbekende man neemt op, “zeg het me…” (zo nemen ze hier de telefoon op). Ik antwoord, “ik plaats zoeken slapen”, stilte…, “is mogelijk het?” De man: “ik geloof van wel ja.” Ik, “mooi! ik komen.” De man vraagt, “wanneer kom je?” “Ehhmm ik geloven over ongeveer over uur.” “Waar kom je vandaan?”, vraagt de man. “Ik heet Pieter”, antwoord ik. “Ehhm bueno…tot straks!”, zegt de man, ‘klik’. Het telefoontje verdient geen schoonheidsprijs, maar het is gelukt! Onderweg naar de Casa Particular word mijn taxi afgesneden door een oude Lada (veel Russische auto’s hier) zonder knipperlichten. De taxi chauffeur nog net een botsing voorkomen, maar uit de oude Lada die bij ons de sloop nog niet waard is, stappen vier grote kwade Cubanen. Gelukkig weet de taxi chauffeur die bijna in paniek geraakt is de auto in zijn achteruit te zetten, en weg te scheuren. Een spannend welkom in Cuba...

Nadat ik s’ochtends wakker word met een geweldig uitzicht over de oceaan leer ik via via een familie kennen waar ik voor langere tijd voor een goede prijs kan intrekken in Habana Vieja (het Oude Havana). Ik krijg een eigen slaapkamer. Het is een sympathieke familie met een zoon van mijn leeftijd, twee jongere zoons, moeder, opa en oma, twee honden, parkieten en een bijtgrage papegaai. De kleinste jongen is zeven jaar oud, een grappig kereltje, alleen is hij vaak eens te druk voor de oude opa en oma. Oma jaagt hem dan met een touwtje het huis uit. Net als alle huizen in Habana Vieja is dit huis in Spaans koloniale stijl gebouwd met hele hoge plafonds, veel originele sierlijsten en een binnenplaats. Heel erg mooi! De rolverdeling tussen mannen en vrouwen is hier ‘traditioneel’. De vrouwen zijn hier de hele dag bezig met schoonmaken, koken en het verzorgen van de kinderen. Voor de keuken staat zelfs een afscheiding. Dat is verboden gebied voor mij. Iedere dag heb ik thuis twee uur lang Spaanse les van mijn eigen professora! Ze is een goede lerares van de universiteit van Havana, die ook particulier les geeft. Maar eigenlijk heb ik de hele dag Spaanse les omdat alles wat ik hoor, lees en spreek in het Spaans is. Mijn Spaans gaat dus snel vooruit!

Ciudad de la Habana
In de eerste dagen dat ik in Havana ben heeft de stad met twee miljoen inwoners iets magisch. Veel imposante, oude gebouwen, vrolijke klassieke Amerikaanse auto’s uit de jaren vijftig, veel salsabandjes, iedere dag rond de dertig graden warm, en naast ‘hustlers’ die je sigaren of rum willen aansmeren, vriendelijke mensen. Habaneros houden ervan om tijd op straat door te brengen. Overal lopen, fietsen en hangen mensen. Terwijl ik door de straten loop vragen jongens van mijn leeftijd vragen of ik mee wil doen met ‘béisbol’ (honkbal, volksport nummer één in Cuba). Met een afgebroken bezemstok en een plastieken, leeggelopen ‘jeu de boule bal’ slaan we er lekker op los. Daarna loop ik naar de Malécon (vijf km. lange oceaanboulevard) en neem een duik in het frisse water. Een Cubaanse jongen die op het rif zit nodigt me uit om zijn pakje rum te delen. Inderdaad ja, in een ‘pakje’. Cubanen zijn zo gek op rum, dat het hier zelfs in pakjes wordt verkocht. Dezelfde pakjes waar wij in Nederland fruitsap in hebben!!!

Pobreza
S’avonds ga ik naar het park om wat te schrijven. Ik zit er een paar minuten als er aan beide kanten van mij een vrouw komt zitten. Ze vragen me geïnteresseerd waar ik vandaan kom, en hoe lang ik hier ben. De vrouw aan mijn rechterkant, 34 jaar oud verteld ze, vraagt mij of ik geen trek heb in een Cubaanse vriendin. Na wat ontwijkende antwoorden van mijn kant en nog wat gepraat over koetjes en kalfjes loopt ze opeens beledigd weg…met haar man. De linkervrouw (de vrouwen kenden elkaar niet) vertelt me hoe het werkt in het toeristische Havana. De andere vrouw probeerde mij te versieren voor een nachtelijk avontuurtje in de hoop dat ik haar zou betalen. Vervolgens zou zij het geld aan haar man geven. Bizar! Het was een hele gewone vrouw, ze zag er niet uit als een getrouwde tippelaar.

Deze ervaring illustreert wel direct Cuba’s grootste probleem: armoede. Na het uiteenvallen van de Sovjet Unie in 1991 heeft Cuba haar grootste sponsor verloren. Tegelijkertijd heeft Cuba te maken met een nu al veertig jaar durende economische boycot van Amerika dat maar 150 kilometer verderop ligt! Daarnaast heeft Cuba een socialistisch staatssysteem. Dat wil zeggen dat de staat geregeerd word door één partij, de Communistische Partij, die geleid wordt door president Fidel Castro. Iedereen in Cuba werkt voor de staat, en is dus eigenlijk ambtenaar. Op een paar uitzonderingen na mogen mensen niet zelf een onderneming beginnen. Het is niet goed voor de economie van een land als mensen door het systeem niet hun originaliteit, creativiteit en ondernemerstalent kunnen gebruiken om nieuwe producten of diensten te bedenken en daarna te verzilveren. Dit zijn redenen waarom Cuba een arm land is.

Control
Als de vrouwen weg zijn komt er een man naast me zitten. Hij is basisschoolleraar en vertelt mij over het leven in Cuba. Iedereen heeft recht op gratis gezondheidszorg, onderwijs, en een dak boven zijn hoofd (ik heb nog geen dakloze gezien). In Cuba is dit veel beter geregeld dan bijvoorbeeld in Amerika, waar heel veel mensen hun ziektekosten en het onderwijs van hun kinderen niet kunnen betalen, en er veel daklozen zijn. Hij vertelt ook dat Cuba arm is, maar iedereen is tenminste éven arm. Plotseling staat er een politieagent bij ons. Hij vraagt de man om zijn identiteitsbewijs en vraagt wie ik ben. Het is in Cuba verboden voor Cubanen om met toeristen te praten. Met buitenlandse vrienden praten mag wel. De agent vraagt mij sinds wanneer ik hem ken. Ik antwoord dat ik heel slecht Spaans spreek. De agent vraagt mij gelukkig niet naar zijn naam. De leraar krijgt een officiële waarschuwing (twee maal is scheepsrecht in Cuba) en de agent loopt verder. De basisschoolleraar was net nog rustig maar beeft nu van de spanning. Met een strafblad kun je het namelijk wel vergeten in Cuba. Het lijkt ons verstandig om naar huis te gaan…

De controle van de regering is heel groot in Cuba. Naast veel politie (de straten zien ‘zwart’ van de agenten) en geheime politie, heeft ieder stratenblok zijn eigen CDR, oftewel ‘comité ter verdediging van de revolutie’. Zij houden in de gaten of mensen in hun stratenblok geen illegale activiteiten ondernemen en de regering netjes ondersteunen. Een Cubaanse vriendin vertelde me dat zij voor een studiereis naar het buitenland bijvoorbeeld toestemming van het CDR in haar buurt nodig heeft.

Otras Cosas
Mi madre! Het is ondertussen een heel verhaal geworden, dus ik schrijf later meer over mijn onderzoek. Ik ben in ieder geval goed gesetteld in Havana, en ik heb het erg naar mijn zin. Ik leer iedere dag veel nieuwe mensen kennen maar het is vaak nog wel aftasten of mensen oprecht in mij geïnteresseerd zijn, of in mijn portemonnee (die is overigens niet al te dik, maar dat weten zij niet…). Ook ontdek ik iedere dag meer wat het systeem wel en niet toelaat. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat mensen in de problemen raken door met mij te praten.

Internetten is hier moeilijk. Cubanen kunnen alleen op intranet komen, een afgeslankte gecensureerde vorm van internet. Extranjeros zoals ik kunnen in hotels internetten. Het is alleen duur (5 euro per uur), en langzamer dan mijn oma auto rijdt ;) Met een vaste lijn naar Nederland bellen kost drie biertjes per minuut, dus dat zou een duur ‘avondje stappen’ worden. Communicatie met Nederland is dus lastig, dat je het even weet. Maar zoals altijd vind ik het leuk om updates uit Nederland te ontvangen, en de volgende keer zal ik proberen om een paar foto’s door de kabel te duwen.