Een nacht in 'three-two'
Na veel ‘desk work’ was ik blij om weer eens om het ‘veld’ in te gaan om een aantal projecten van ZOA te bezoeken. Ik wist toen niet dat het een ‘fieldtrip’ zou worden om niet snel te vergeten…
ZOA is in Zuid-Sudan actief in een provincie ter grootte van Nederland, vanaf vier zogenaamde ‘compounds’, een lapje grond met een kantoor en stevige kleien hutten (tukuls). Het meeste ZOA personeel woont en werk hier en vanaf deze locaties voert ZOA tal van projecten uit zoals het verbeteren van de voedselzekerheid door de introductie van nieuwe zaden en landbouwtechnieken, het voorlichten van gemeenschappen over het gebruik van schoon drinkwater en het organiseren van sanitatie om ziektes te voorkomen, of door het ondersteunen van scholen. Over de afgelopen jaren heeft ZOA veel geïnvesteerd in het onderwijs in Central Equatoria door het bouwen van scholen, het trainen van leraren, de constructie van wc’s, de provisie van lesmateriaal, etc. Eén van de onderwijsprojecten liep in juni dit jaar af. De donor van het project vraagt aan het einde om een evaluatie waarin ZOA moet laten zien dat het geld goed besteed is en dat de doelstellingen behaald zijn.
Mij is gevraagd om binnen twee weken een evaluatie rapport op tafel te leggen samen met Chaplain, een ervaren en jolige Sudanese collega. Hierop besloten we om zo snel mogelijk onze biezen te pakken zodat we een representatief deel van de 24 scholen konden bezoeken. Na een lange dag over de slechte Zuid-Sudanese zandwegen (in heel Zuid-Sudan, ter grote van Frankrijk en Italië samen, is er maar 50km asfaltweg) en het afnemen van interviews met leraren, ouders en leerlingen was het tijd om uit te rusten in een simpele bakstenen ‘lodge’ in Rokon om de volgende dag te vertrekken naar Tijor. Mijn collega’s hadden me al voorbereid op de schijbaar slechte weg naar het afgelegen dorpje waar ZOA een aantal scholen ondersteund. Vanaf Rokon zou het drie uur rijden zijn mits de weg niet te nat was. Lokale mensen in Rokon vertelden ons dat het al een week niet geregend had en de weg dus goed genoeg zou moeten zijn voor onze four wheel drive Toyota Landcruiser.
Het bleek dat mijn collega’s niet overdreven hadden. Zelfs de slechtste Nederlandse boerenweg deed niet onder voor de weg naar Tijor die volgens mijn collega lang geleden door de Engelsen was aangelegd. We raasden met slecht zicht door het natte en meer dan twee meter hoge gras waartussen nog net twee sporen zichtbaar waren voor Jozef onze chauffeur en Juka onze assistent chauffeur die achteraf geen overbodige luxe bleek te zijn. Jozef leidde ons met succes door rivieren en modderpoelen maar op anderhalf uur van Tijor bleek een diepe modderpoel dan toch te machtig voor de Landcuiser: we zaten vast. Terwijl Joseph en Juka in de tropische middagzon de auto met de ‘tanganyika’ (een hefboom) opkrikten, verzamelden Chaplin en ik takken om onder de wielen in de modder te duwen. Na een uur in de modder gespeeld te hebben en het executeren van een kleine voorbij wandelende schorpioen was het tijd een poging te wagen om de auto los te rijden. Jozef gaf vol gas, en de auto kwam in beweging, maar helaas gleed de schuin liggende auto zijdelings van de takken, en konden we weer van vooraf aan beginnen.
Een passerende vrouw, knap balancerend met een gevulde jerrycan op haar hoofd, was op weg van de waterput naar haar dichtbijliggende dorp en riep de hulp in van een paar jongemannen die snel aan de slag gingen met het kappen van bomen om ze vervolgens in kleinere takken te hakken. Maar ook met hun hulp kwam de auto na nog twee vergeefse pogingen alleen maar dieper in de modder vast te zitten. Met de vierde poging was het dan eindelijk raak! Zes uur nadat we vast kwamen te zitten stuurde Jozef de voorheen witte auto uit het modderbad. Na het delen van ons laatste water en eten met de behulpzame arme dorpelingen was het inmiddels te laat om Tijor voor het donker te bereiken dus zetten we weer koers terug naar Rokon.
Maar het harde werk in de brandende zon had Josef zijn tol geëist want na een lange slip kwamen we een half uur later weer vast te zitten, dit keer nog erger dan de eerste keer, èn met de schemering op komst. Onze modderige tanganyika kreeg ook nog eens kuren en omdat de radio het niet meer bleek te doen konden we geen hulp inroepen van onze collega’s. Na twee vergeefse pogingen zat er dus tegen zevenen niets anders op dan de nacht door te brengen in het moerassige gebied in onze Landcruiser, ook wel ‘three-two’ genoemd. Met vier man in de auto probeerden we het zo comfortabel mogelijk te maken maar de temperatuur in de muffe three-two steeg al snel naar zo’n dertig graden. Om zuurstof in de auto te laten moesten we één van de raampjes op een kier van een kleine centimeter te zetten maar toen roken de dorstige moerasmuggen opeens vers bloed.
Al snel verzamelden er zich tientallen zoemende en potentieel malaria dragende muggen zich in de warme three-two voor een feestmaal. We probeerden de tijd te doden door het oplossen van raadsels en het vertellen van verhalen, maar helaas mugt de tijd zich veel langzamer voorbij dan het vliegt. Na tot één uur s’nachts naar de zoemsymfonie geluisterd te hebben viel ik gelukkig in een diepe slaap. Pas om zes uur werd ik tegen ochtendgloren weer wakker en bleek ik de enige te zijn die daadwerkelijk geslapen had. Dorstig, hongerig, lekgeprikt en vermoeid gingen we toch lachend om de ironie van de situatie, we heten tenslotte ZOA Refugee Care maar in dit geval waren we zelf redelijk hulpeloos, weer aan de slag met het verzamelen van takken en stenen. Ook kregen we onze tanganyika gelukkig weer aan het werk en een paar uur later was three-two weer bevrijd! Met een groot vraagteken over de impact van ons project in Tijor, maar toch met een opgelucht gevoel kwamen we gistermiddag weer op onze compound aan in Katigiri.
Hoewel dit een uitzonderlijke situatie was, zijn de omstandigheden waarin ZOA in Zuid-Sudan werkt zwaar, vooral omdat het leven hier moeilijk voorspelbaar is. Er kan zomaar weer een conflict uitbreken, het kan hard regenen waardoor de wegen onbegaanbaar worden, ongeveer 80% van de bevolking is analfabeet, en er zijn weinig communicatie middelen. Zo zijn er geen Zuid-Sudanese TV of radio kanalen en alleen in de grote steden is er een mobiel netwerk. ‘Heeft het dan wel zin om hier als organisatie actief te zijn?’, is daarom een logische vraag die ook bij mij opkwam. En inderdaad, de omstandigheden maken het hier wel moeilijk om hier goed werk af te leveren, de kwaliteit van scholen, watervoorziening en gezondheidscentra is lang niet zo goed als in Nederland. Maar toch, als ik zie wat ZOA hier in acht jaar heeft bereikt is dat heel wat. Langs alle wegen kom je scholen en gezondheidsklinieken tegen met de bordjes ‘constructed by ZOA’. Dankzij het werk van ZOA in Zuid-Sudan zijn er bijvoorbeeld heel veel mensen die de gezondheidsvoordelen van schoon drinkwater ondervonden hebben, zijn er honderden mensen die geprofiteerd hebben van medicijnen tegen malaria, voorheen een dodelijke ziekte, en zijn er een paar duizend kinderen die basis onderwijs gehad hebben, wat hun toekomstkansen vergroot. Ik vind dat dit het waard is.