vrijdag 7 januari 2011

'Bye Bye Khartoum'

Zondag mogen de zuidelijke Sudanezen in een referendum beslissen of het land als één natie verdergaat of dat de staat zich horizontaal door midden splijt in een noordelijk Sudan èn een onafhankelijk Zuiden. Na veel lijden zien de zuiderlingen het referendum als dè kans om aan een nieuwe toekomst te beginnen.

Na beëindiging van de burgeroorlog tussen noordelijk en zuidelijk Sudan in 2005 is er met het ‘Comprehensive Peace Agreement’ afgesproken dat er op 9 januari 2011 een referendum wordt gehouden over de toekomst van het land. Sara Simon (28), moeder van twee kinderen, heeft zoals bijna alle Zuid-Sudanezen veel geleden tijdens de tweeëntwintigjarige burgeroorlog die aan ongeveer twee miljoen mensen het leven kostte. “Ik was nog heel jong toen de noordelijke Arabieren het zuiden binnenvielen.

We moesten s’nachts in kleine gaten in de grond slapen om veilig te zijn voor laagovervliegende Antonev vliegtuigen die bommen op onze dorpen wierpen”, vertelt Sara.

Begin jaren negentig werd de situatie zo onveilig dat het merendeel van de zuiderlingen Sudan ontvluchtten naar buurlanden zoals Ethiopië en Kenia. Zelf vluchtte Sara naar het noorden van Uganda waar zij jaren van haar jeugd in een vluchtelingenkamp doorgebracht heeft. Daar zorgden Ugandezen onder het bewind van Joseph Kony, rebellenleider van het Lord Resistance Army (LRA), voor veel moeilijkheden. “Het leven was er niet makkelijk omdat Ugandezen ons niet in hun land wilden hebben. Ze plunderden en staken onze hutten in brand. Ook vroegen ze willekeurige mensen of ze wilden glimlachen of niet. Zeiden mensen ‘ja’ dan werden hun lippen letterlijk op slot gedaan met een hangslot, zeiden mensen ‘nee’, dan werd hun mond verder opengesneden.” Sara vertelt dat veel Sudanezen zelfs het vluchtelingenkamp moesten ontvluchtten. “In die tijd zongen we over ons lijden: ‘Waarom straft God ons? Is het omdat we zwart zijn? Worden wij gestraft voor de zonde van Adam en Eva? God, waarom laat U ons zo lijden?’”

Alfred Wani (38), nu werkzaam als manager voor een NGO, vluchtte al lopend voor honderden kilometers naar de Centraal Afrikaanse Republiek (CAR). Daar kreeg hij een andere behandeling dan zijn landgenoten in Uganda. “In CAR moesten we nog zo’n honderd kilometer door droog land naar het vluchtelingenkamp lopen zonder eten of drinken te hebben. Maar godzijdank zetten de lokale mensen manden gevuld met cassava en ander eten langs de kant van de weg. Zij hebben ons gered, en gezorgd dat we sterk genoeg waren om de wilde dieren af te weren.” Alfred die later in Uganda met zijn familie herenigd werd had geluk dat hij een studiebeurs van de Jezuïeten ontving waardoor hij als één van de weinige Zuid-Sudanezen kon studeren in Kampala, de hoofdstad van Uganda. Daar kwam John Garang (overleden in 2005), voormalig leider van het Zuid-Sudaneze bevrijdingsleger, de SPLA op bezoek. “John Garang kwam om de Zuid-Sudanezen in Kampala te mobiliseren de strijd tegen Khartoum (hoofdstad van Sudan) te hervatten. Mijn vader heeft zich bij de SPLA gevoegd.”

Rond 2004 keerden de meeste vluchtelingen weer terug naar Sudan. Alfred keerde in 2002 terug om te werken voor een NGO en schetst de situatie die er toen in het land heerste. “Er waren geen wegen meer, huizen waren verwoest door bommen, en er waren geen scholen of gezondheidsklinieken. NGOs waren vitaal omdat er ook geen overheid was om basisvoorzieningen te regelen. Het is significant wat er tussen toen en nu ontwikkeld is.” Dit is ook de reden waarom Afred onafhankelijkheid steunt. “De culturele en economische verschillen tussen het rijke noorden en het arme zuiden zijn tè groot. Blijven we één, zal altijd weer conflict ontstaan. Als zuiderlingen moeten we de kans krijgen om ons zelf te ontwikkelen zodat onze kinderen en kleinkinderen de vruchten zullen plukken van onze onafhankelijkheid.”

“Maar in Zuid-Sudan zelf bestaan er ook veel verschillen,” erkend Alfred. Zuid-Sudan is samengesteld uit tal van etniciteiten waarvan de Dinka-stam de grootste bevolkingsgroep is. “Waar ik bang voor ben is dat de Dinka’s, die vaak barbaars gedrag vertonen, de macht zullen overnemen en het niet democratisch willen afstaan. Dit zou heel slecht voor Zuid-Sudan’s ontwikkeling zijn.” Maar Alfred ziet het niet te somber in. “Tijdens de campagne voor het referendum hebben we gezien dat 9 januari 2011 alle bevolkingsgroepen samenbrengt. Door het referendum beseffen mensen dat ze samen als Zuid-Sudanezen de macht en het vermogen hebben om een nieuwe oorlog te voorkomen.” Dus ook John Paffuri (33), bewaker van dezelfde NGO, weet wel wat hij zal stemmen tijdens het referendum, “Bye bye Khartoum!”, zegt hij wuivend met een grijns op zijn gezicht.